Test
Download document

TER BALKT, H.H. (Habakuk II DE BALKER)

Grote beuk

Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen

krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in dé meimaand.

Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten

die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.

Hymne aan de walnotenboom

Blijf af van de vruchten van de walnotenboom,
schud niet aan zijn takken en zijn stam,
wie zich de vruchten toeëigent, wie beslag legt,
liefdeloos, die zal het niet goed gaan.
Wie de walnotenboom pijnigt, zal omvallen.
Lang leve de walnotenboom, moge hij leven in vreugde.
Hij is de eenhuizige rijkdragende.
Hem kwaad berokkenen is er niet bij.
Het zegel beschermt hem. Het onverzwakte schild houdt stand.
Niemand steelt van de walnotenboom.
Die het wel doen die zullen zeker inslapen.
Negen kruiden beschermen de walnotenboom.
Fladder weg, ruisende spoken.
Fladder weg, dertien plagen en pijnen.
Es Yggdrasil moet wel een walnotenboom zijn.
Helder zijn in voorjaar en zomer de bladeren.
Blijf met je licht.


Hoera! De Herfst komt!

De roodkoperen kont van de kunst

wordt door velen gekust,

zo komen ook op de 60watts gloeilamp

vliegen en torren af bij myriaden

denkend: waar 't licht is, is 't lekker

De schrik van de torren ontlaadt zich

in minuscule stippen, hun altaren

die zij bouwen op het glas van de gloeilamp

Hoera! de herfst komt! veel duister

veel lampen veel vleugelslag

Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op:

de trekvogels gaan, de uiltjes komen.

China, juni

De dichter is maar blinde

vlier, hij kreunt en zingt

in de wind die in hem klimt

In juni bloeiden op dat plein papaver en gentiaan

(die elkaars geheime zwijgende geliefden zijn)

Demonische kweekgras-wortels mokten …Bloemkronen

lokten duizend plukkers uit hun schaduw

Woest doemden voerlieden op in hun maaidorsers

van steen waarvan de stenen wielen ratelden; hard

snerpten zwepen in de stenen hand van de menners

die neermaaiden de papaver en de gentiaan

De dichter is maar blinde

vlier, hij zwijgt en zinkt in de wind

die aan hem wringt