Test
Download document

VAN COLLEM, A.


Als gij mij leest

Als gij mij leest, dan moet gij mededichten
En algeheel in mijn gedicht opgaan,
Het moet gelijken op een zelf-verrichten,
Alsof niet ik, maar gij het had gedaan.

Gij zult tevreden zijn, en ziet het aan,
En blijdschap zal uw dichtend oog verlichten;-
Het is een kleinigheid, een vers te dichten,
Al lezende, is het in u ontstaan.

Ik las het echter, vóór gij had gelezen,-
Dit is het onderscheid van u tot mij.

En niettemin deed ik geheel als gij,
Want wat gij lezen mocht uit mij, -voor dezen
Stond het geschreven, lichtend, rei aan rei,
Door de natuur, in tekens onvolprezen.


De straatveeg

Is geneigd om alles aan te bijten,
Loopt, wanneer men haar te lopen zegt,
Komt haar voeten aan de straten slijten,
Heeft zich voor de heren heengelegd;

Draagt uit kroegen kruiken drank voor mannen,
Kraait, wanneer men borrels in haar giet,
Lacht, in wezenloze sfeer gebannen,
Danst, wanneer men haar te dansen stiet;

Werd geschopt en vroeg om nog wat schoppen,
Aaide naar de vuist, die haar beklemt,
Liet zich op de arme borsten kloppen,
Zet zich voor een centje in haar hemd.

Haar gelaat is vel, doorgloeid van vlekken,
Lichtloos staan de ogen uitgepeld,
Onbeweeglijk zijn de wezentrekken
En haar neus is puntig opgespeld;

Aan haar rokrand draagt zij drek van vaarzen
En haar luttig hoedje is wat stro,
En haar schoudertjes beweegt zij blo
En haar voetjes steken in manslaarzen.

Heen en weer getrapt en weggeslagen
Uit danshuizen op de morgenstraat,
Heeft zij zich gehavend weggedragen
Naar de schuwe steeg, die zij ingaat;

Schuifelt aan de trappen met haar schenen;
Hoort het vreugdeblafje van haar hond;
Iets van mens’lijkheid is toen verschenen
Om het masker van haar dode mond.


Er is de stank van geld

Er is de stank van geld, de geur van gas,
De laagheid van het woord, de veinzerij,
En de oude penningen van het verraad.

Er is het altijd dragen van een last,
Er is een mompeling van de verkochte,
Er is het clownschap van de kunstenaar.

Er is – Niets Is – Er is alleen het woord,
Het machteloze, het verkondigde
Van kameraadschap op de rijke aarde .


Volkeren des kruins

Volkeren des kruins, de komende,

De straks geboren wordende, hoort hij.

Ik wil, zegt hij, en bij de adem van

Zijn mond, verschuift de atmosfeer,

En maakt een jaagpad open voor zijn woord.

Ik wil ontvangen van de nacht en schemer,

En van de gouden ochtend het geheim,

Ik wil het nog niet zichtbare doorzien,

Ik wil doordringen dit oneindige,

Altijd wijkende, en fluisterende

Hoog mysteriespel, dat Leven heet.

Dronken van kracht neem ik de nieuwe dag,

Waarop de goudbevachte wolken drijven,

Neem ik de schubbig rinkelende zee,

Neem ik de ronde aarde met mijn handen,

Buig haar tot schip, te varen in het ruim,

Bij het gejuich der vanenrijke sterren.

Helpe mij broeders, want de zee is machtig,

En het licht klimt nog niet aan de einder,

En de woeste elementen dreigen.

U te maken heerlijker dan ooit

Goudbesponnen bloeiend rijke aarde,

Eindloos blauw heelal, grijp ik U aan.


Van god en de natuur

VIII

Ik ga gevangen in het stralend net

Dat gij, oneindigheid, hebt uitgezet.

Ik ben daarin het zingend ding

De kijker in een fijne glinstering.

Ik ben de ingewijde tot uw veld,

Uw grassen, takken en uw kleurgeweld.

De vanger van uw lucht ben ik, zij is

Het in mij zingende geheimenis.

Ik ken uw bomen, dieren en de zee,

Ik deel mij aan hun fluisteringen mee.

De sterren stijg ik in hun hoogten aan,

Ik ben als zij uit licht en klank ontstaan.

Wanneer de nacht afdaalt, hoor ik zijn stem,

Ik leef mij in hem weg, ik ben van hem.

En uit de gouden mazen van de dag

Pluk ik wat fijne vonkels, die ik zag.

Het gras, het water stromend in het licht,

De bergen met hun koppige gezicht.

De wolken en de horizonnen wijd,

Waarin mijn aarzelende blik verglijdt, -

Zij zijn het stralende, het wiegend net,

Dat gij oneindigheid, hebt uitgezet.



Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk

Liever dan mens te zijn, werd ik een wolk,
Te drijven tussen woeste vlammenzeeën;
Zij groeien aan het ochtendfirmament.

Liever dan wolk te zijn, werd ik een boom,
Hij staat hoog op in het heet licht te kijken,
Iedere gedachte is een blad.

Liever dan boom te zijn, werd ik een zee,
De zee wordt door oud gouden licht begoten,
Duizenden gestalten neemt zij aan.

Liever dan zee te zijn, werd ik een God,
God maakt zonnen, manen en de sterren,
Met zijn hand raakt hij de einder aan.

Liever dan God te zijn, werd ik een mens,
Ik zou de mensheid maken tot een God
Van alle goden, zonnen en planeten.