Test
Download document

VERWEY, Albert


Het raadsel *

Het raadsel van het leven, zegt ge, en weifelt

Of gij het woord zult spreken dat ons scheidt.

Er is een duif die koert, een slang die sijfelt,

Er is een weg die naar een einder leidt.

Wij gaan het woud door op dezelfde paden,

Wij roepen de eendre erinneringen op,

Wij zoeken ’t doel van onze reis te raden

En smaken ’t uitzicht op eenzelfde top,

Marl elk blijft d’andre de onbekende vreemde

Die leefde wat zich d’andre niet onthult,

En het gelaat dat naar het vroegre zweemde

Draagt in zijn raadsel een ondelgbre schuld


Christus aan het kruis

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in de nacht
Gloeit als een grote, bleke vlam, - wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zo schoon?

Glanzende Liefde in een damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van 't kruis, - hoe lacht gij soms zo zacht, -
God van Mysterie, Gods bemindste Zoon!

O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez' donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!

Ai mij! ik hoor aldoor de droeve val
Der dropplen bloeds en tot de morgen staart
Hij me aan met grote liefde en eindloos leed.


Baders hartewens

Dwars door de tuinen

Van roos en ranken

Zich ’t pad te banen,

Dan door de lanen

Van zand en dennen

Vluchtig te rennen

Tot waar de kruinen

Van hoge duinen

In ’t blauwe blanken

En zo te nadren

Met zwellende adren

In laatste loop

De harde golven

En, overdolven,

Hun koele doop.


Het raadsel **

Wie zal mij zoeken

Als ik niet kom?

De winden lopen

Om en om.

Er is een vraag

Die geen antwoord vergt,

Een glimlach die in zich

Een raadsel bergt.

Ik heb de deuren

Opengedaan

En zag het rode

Standbeeld staan.

De donkre spieren

Glommen hoog,

Er schoot een straal

Uit het donker oog.

De marmren zaal

Was achter open.

Daar was de tuin

Waar ik wilde lopen.

Hoe er te komen?

Ik zag me er dwalen.

Hoe ik er kwam

Kan ik niet verhalen.


Gracht-wandeling

De grachten van mijn deftge stad

Zie 'k weer en zie wat 'k ben geweest:

Een knaap die in het ochtendlicht

Onder de bomen loopt en leest; -

Leest in een boekje en voelt aldoor:

Wat ben 'k gelukkig dat ik leef;

En leest dat stille en wijze vers

Van Tassoos ramp, dat Goethe schreef .


De schone wereld

Iedre morgen na het nachtlijk slapen
Ligt mijn wereld nieuw door mij geschapen.

Iedre dag heb ik haar weggegeven,
Telkens één dag meer van 't eigen leven.

Telkens een kortstondiger bewoner
Zie ik haar belanglozer, dus schoner.

Schoonst zal ze eenmaal zijn als ik ga scheiden
En de grenslijn wegvalt van ons beiden.


De terrassen van Meudon

De lucht is stil: op eindloos verre heuvlen

Strekt zich de stad in blond en rozig licht -

Ik wend mij om waar lachen klinkt en keuvlen:

Daar kust een knaap een blank en zoet gezicht.

Ik zie omlaag: in vaste en strenge perken

Sombert rondom een kom een herfstge tuin.

Ik zie omhoog: een koepel, zwaar van zerken,

Stijgt, sterrrenwacht, hoog boven de bomenkruin.

Op trapgesteenten, brokklig, maar gebleven,

Blijf ik dan peinzend en in weemoed staan, -

Want dode dingen zijn die langer leven

Dan wij die werden, welken en vergaan.