Test
Download document

VAN FOCQUENBROCH, Willem

Gedachten op mijn kamer

Hier in dit klein, doch stil vertrek,

Tracht ik alleen myn vreugd te zoeken;

Daar ik my al 't gewoel ontrek,

En my verlustig in myn boeken,

En hou de weereld voor myn gek.

Al 's weerelds vreugd acht ik een spook,

Die men op 't vaardigst ziet verzwinden.

Dit leer ik hier, wyl 'k zit en smook:

Mits ik daar daaglyks uit kan vinden,

Dat alle vreugd is min als rook.

Dit leer ik hier en 't is gewis;

Want waar ik myn gezicht mag keeren;

Straks vind ik een gelykenis,

Die my, uit 't geen ik zie doet leeren,

Hoe ydel dat de werelt is.

Een greins, die ik van var beschou,

Leert my de weereld wel bekyken,

Mits d'ontrouw zich vermomt met trouw,

En dat een schelm kan eerlyk lyken,

Zo men de schyn gelooven zou.

Zie ik op myn fiool en fluit,

Die doen my mee een leering vinden;

Want even eens gelyk 't geluid,

Noch naauw gehoort, voort gaat verzwinden,

Zo draa heeft meê het leven uit.

Zie ik wat snorrepypen aan,

My uit vermaak wel eer gegeven,

Zo laat ik myn gedachten gaan,

Op d'ydle vreugd van 't jeugdig leven,

Die d'ouderdom haast doet vergaan.


Zo myn gezicht een flesje vat,

Gevult met balzem voor veel wonden;

Dunkt 't leven my geen groote schat,

Vermits dat zomtyds is gebonden,

Alleenig aan een droppel nat.

Zie ik de wapens aan ter zy,

Die my myn ouden adel toonen,

Ik vind my van die zorgen vry,

Die steets omtrent de Hooven woonen,

En spot met al die slaverny.

Of zie ik voor my op het beeld

Van Karel, d'oude Britsche Koning,

Zo dunkt my, dat het niet veel scheelt,

Of 't leven is maar een vertooning,

Daar ieder mensch zyn rol in speelt.

't Is waar, d'een toont een majesteit,

En dees een arm man, die een ryken,

En scheelt hier veel in heerlykheid;

Maar die in 't graf hen kwam bekyken,

'k Geloof, hy zag geen onderscheid.

Of zie ik van ter zyden aan,

De beelden van myn bloedverwanten,

Ik denk wie kan de dood weerstaan?

Want schoon 't kopy hangt aan dees wanten,

Het principaal is lang vergaan.

Zo maakt de dood elk een tot slyk,

En spaart geen slaaf, noch knecht, noch heeren,

Want ieder moet, 't zy arm, of ryk,

In 't geen hy eertyds was, verkeeren;

Zo maakt de dood elk een gelyk.

Dit brengt my hier myn eenzaamheid

Gestadig voor in myn gedachten,

Zo dat ik leer geen zekerheid

Van al des weerelts vreugd te wachten;

Want alles is maar ydelheid.


Aan Juffrouw N.N.

 

Hoe sal ick best u lof verhalen?
O schoone! die soo menigh malen
Myn deur, en stoep de eer aen doet,
Van daer uw wegh verby te maken:
En die my schier myn gal doet braken,
Als ick u over straet ontmoet.

Helaes! Hoe meenigh duysent werven
Heb ick gedacht om u te sterven?
Uyt pure ontsinde raserny;
Wanneer ick u niet kost ontwycken
Maer juyst dat backhuys aen moest kycken,
Dat steets de koorts jaegt door myn py.

Derhalven, om niet stil te blyven.
Wil ick uw deught eens gaen beschryven,
Mits ick van ganscher harten wensch,
Dat yder eens magh oordeel strycken,
Wat of j'het best wel sult gelycken,
Een beest, een nicker, of een mensch.

Om dan je trony af te meten,
Soo dunckt my dat die in syn breten
Omtrent zal zyn van sestien steeck;
Gelyck my goet koop was te raden,
Door al de strepen, en de naden,
Die ick daer onderdaeghs in keeck.

Syn lenghte om dat goet te maken,
Die, lyckt het, stuyt ontrent je kaken;
Vermits uw aengename kin,
Door dat soete koppel paersse wangen
Soo net, en aerdigh wordt behangen,
Dat ick voor hem geen spatie vin.

Uw nette en cierelijcke lockjes,
Meest uyt gevreeten door de pockjes,
Die distileeren smeer, en smout;
En krullen soo soet door malkandren,
Dat men den eenen door den andren
Vaeck aensiet voor gekaut soet-hout.

Uw ooghjes, die als doove koolen
U sitten in den kop verschoolen,
Soo diep dat men die pas kan sien;
Daer siet men soo veel gom uytloopen,
Dat ghy, soo ghy die woud verkoopen
Daer wel een Stadt soud mee versien.

Uw kromme neus staet op uw backhuys,
Gelijck een schoorsteen op een kackhuys:
En is als de recipient
Van een verrotte exhaltatie,
Die door een vuyle distilatie
Uw gorgel steets na boven send.

Uw mondtje vol gehuurde tanden,
Soo wijd als twee span van mijn handen,
Spreeckt met een doodelijcke galm;
En word van lipjes toeslooten,
Die, spijt Robyn, en roo Carooten,
Gekleurt zyn als gekoockte Salm.


Uw hals door suclk een last te dragen,
Word langhs hoe korter alle dagen;
Soo dat misschien je sware kop,
Noch met der tijdt eens in sal sincken,
En soo sich selven noch verdrincken,
In 't stinckend vulsel van je rob.

Uw ouwe half-verdroogde prammen;
Gekleurt gelijck westfaelse Hammen,
Die draegh jy dan eens op je buyck,
Dan op je rugh. gelyck de maeyers,
Of even als Messieurs de hayers,
Haer knapsack, met haer water-kruyck.

Uw vel, waer in je magre schinckels
Pas ramm'lem als een sack met rinckels,
Hanght u los om het vleys, en been,
Dat ick heel wel souw wedden willen;
Dat men'er, soo ghy u liet villen,
Wel drie paer trommels meê souw kleen.

Uw handen, plat als raatel-beenen,
Die hoop ick eerstdaeghs eens te leenen,
Om in de plaets van een rancket,
In Klaes sijn kaets-baen te gebruycken;
Mits sy soo dorr als distel-struycken,
Niet zijn dan peesen sonder vet.

Uw beenen gansch ontrooft van kuyte,
En krom gelijck West-faelsche fluyten,
Daer steetsje lijf op lilt, en beeft,
(Pas of j' op stelten liept te ryen)
Die doen u loopen van ter zyen,
Gelijckerwijs een Noordtsche Kreeft.

En nochtans met dees schoone gaven
Leght ghy gestaegh langhs straet te draven,
Als of het puur uyt glorie was;
En of je nimmer stil kost bijven,
Want eeuwigh gaet je gat op schijven,
Gelijck de naelt van een Compas.

Vreest ghy niet met de lichte spieren,
Dat u de wind eens wegh sal slieren?
Of dat de Son, wanneer hy straelt,
U eens als daeuw om hoogh sal rucken?
En maecken dat je weer aen stucken,
In form van blixem neder-daelt?

Voor my ick ben, van uwent weegen,
Daer vaeck geen kleyntjen om verleegen;
Hoewel dat ghy, in dit geval,
Licht dencken meught, gelijck het waer is,
Dat u je kop, die eens so swaer is,
Wel weer na 't Centrum douwen sal.

Soo dat het ons noch staet te vreesen,
Dat ghy noch langh sult by ons weesen;
Want 't lijckt dat u de doodt ontsiet;
En u niet wel souw raken derven;
Mits ghy 'er meer dan hy doet sterven,
Door schrick wanneer men u besiet.


Want ghy zijt vet gelijck een hekel,
En ruyckt soo soet als ouwe pekel,
Ghy zijt soo blanck gelyck een rot;
En danst gelijck een kooper-beeltje
En als ghy singht soo klinkje keeltje,
Gelijck een drooge rommel-pot.

In 't end, jy bend een aerdigh beesje,
Soo dor, en naer gelijck een geesje,
Herkomstigh uyt een kneuckel-huys.
Waer op Messieurs de Spaensche mieren,
Na dat ick loof, veel beter tieren,
Als eenigh vloo, of magre Luys.

Want 'k sie, je vel om been, en armen,
En om je pens-huys, en je darmen,
Is drooger als oudt parkement;
En rammelt als een schotse Trommel;
Waer door jy, als een magre drommel,
De schrick , van mensch en beesten bent.

Doch wil de doodt u noch wat sparen,

Soo sal men u noch voor lantaren
Gebruycken kunnen door de stadt,
Indien Mejuffer slechts na desen
('t Geen licht niet wel sal kunnen wesen)
Een kaers kan veelen in haer gat.

Doch hier mee sal ick laten blijven
Uw schoone gaven te beschryven:
Mits dit genoegh is tot myn wensch,
Om elck eens oordeel te doen strijcken,
Wat of j' het best wel sult gelycken,
Een beest, een nicker, of een mensch.