Test
Download document

TOLLENS, Hendrik


Bij het lijkje van een kind

't Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.
Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.
Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
't Vlindertje is niet weer te vangen:
's Hemels englen vingen 't op.


Wien Neerlands bloed

Wien Neerlands bloed in de aders vloeit,

Van vreemde smetten vrij,

Wiens hart voor land en koning gloeit,

Verheff' den zang als wij:

Hij stell' met ons, vereend van zin,

Met onbeklemde borst,

Het godgevallig feestlied in

Voor vaderland en vorst.

De Godheid, op haar hemeltroon,

Bezongen en vereerd,

Houdt gunstig ook naar onze toon

Het heilig oor gekeerd:

Zij geeft het eerst, na 't zalig koor,

Dat hoger snaren spant,

Het rond en hartig lied gehoor

Voor vorst en vaderland.

Stort uit dan, broeders, eens van zin,

Die hoogverhoorde kreet;

Hij telt bij God een deugd te min,

Die land en vorst vergeet;

Hij gloeit voor mens en broeder niet

In de onbewogen borst,

Die koel blijft bij gebed en lied

Voor vaderland en vorst.

Ons klopt het hart, ons zwelt het bloed,

Bij 't rijzen van die toon:

Geen ander klinkt ons vol gemoed,

Ons kloppend hart zo schoon:

Hier smelt het eerst, het dierst belang

Van alle staat en stand

Tot één gevoel in d'eigen zang

Voor vorst en vaderland.


Bescherm, o God! bewaak de grond,

Waarop onze adem gaat;

De plek, waar onze wieg op stond,

Waar eens ons graf op staat.

Wij smeken van uw vaderhand,

Met diep geroerde borst,

Behoud voor 't lieve vaderland,

Voor vaderland en vorst.

Bescherm hem, God! bewaak zijn troon,

Op duurzaam recht gebouwd;

Blink' altoos in ons oog zijn kroon

Nog meer door deugd dan goud!

Steunt Gij de scepter, die hij torst,

Bestier hem in zijn hand;

Beziel, o God! bewaar de vorst,

De vorst en 't vaderland.

Van hier, van hier wat wensen smeedt

Voor een van beide alleen:

Voor ons gevoel, in lief en leed,

Zijn land en koning één.

Verhoor, o God! zijn aanroep niet,

Wie ooit hen scheiden dorst,

Maar hoor het één, het eigen lied

Voor vaderland en vorst.

Dring' luid, van uit ons feestgedruis,

Die beê uw hemel in:

Bewaar de vorst, bewaar zijn huis

En ons, zijn huisgezin.

Doe nog ons laatst, ons jongst gezang

Die eigen wens gestand:

Bewaar, o God! de koning lang

En 't lieve vaderland.