Test
Download document

ADONIS


…..
Après l’errance dans les villes
après les années qui ont fatigué mes épaules.
Je nous chante
chante nos enfances.
Je ne crois pas avoir vieilli. Je marche étranger,
ni plainte, ni consolation - amour et mort
se partagent le même ciel et j’exhorte
ceux qui viendront après moi
à éclairer
de leur corps les ténèbres.
…..


Je ne connais pas de limite

Pour mon sentier vêtu de vagues et de montagnes
Pour mon visage débordant d’échos
J’ai éteint dans le ciel des milliers de cierges blancs

J’ai dit à mes dents, à mes ongles bleuis:
fléchissez avec moi
capitulez à la vague et à son mugissement
Je leur ai dit de rompre les amarres
Qui me retiennent au dernier rivage

Je ne connais pas de limites
Pas de rivage dernier
…..


Chants de Mihyar le Damascène
…..
Le voici qui vient comme une lance païenne

dévastant la terre des écritures

répandant son sang

élevant vers le soleil ses blessures

Voyez-le revêtant la nudité des pierres

adressant sa prière aux cavernes

Voyez-le étreindre la terre légère.
…..
M’interroges-tu Alcinoos?

Veux-tu découvrir le visage du mort?

Tu demandes de quelles cimes je viens

Tu demandes quel est mon nom

Mon nom est Ulysse

Je viens d’une terre sans limites

que les gens ont portée sur leur dos

Je me suis égaré par ici

Avec mes poèmes je me suis égaré là-bas

et me voici dans la terreur et l’aridité

ne sachant ni rester/ ni revenir

M’interroges-tu Alcinoos

Veux-tu découvrir le visage du mort?
…..



Psaume

Il vient désarmé comme la forêt et comme le nuage ne peut être refoulé. Hier il portait un continent et déplaçait la mer.

Il dessine le revers du jour, de ses pieds il le façonne et emprunte les bottes de la nuit, puis il attend ce qui ne viendra pas. Il est la physique des choses – il les connaît et leur donne des noms qu’il ne divulgue pas. Il est le réel et son contraire, la vie et ce qui n’est pas elle.

Il vit là où les pierres deviennent lac et l’ombre ville. Il vit et leurre le désespoir, effaçant la marge de l’espérance, dansant pour que bâille le sol et dorment les arbres.

Le voici annonçant l’entrecroisement des extrêmes, gravant sur le front de notre temps le signe de la magie.

Il remplit la vie et personne ne le voit. Il change la vie en écume qui le submerge. Il transforme le lendemain en gibier et le pourchasse désespérément. Gravées, ses paroles se tournent vers l’errance, l’errance, l’errance…

L’incertitude est sa patrie mais ses yeux sont innombrables.

Il terrorise et réanime. Il sécrète le drame et déborde d’ironie. Il décortique l’homme comme un oignon.

Il est le vent qui ne bat pas en retraite et l’eau qui ne remonte pas à sa source. Il crée son espèce à partir de lui-même – il n’a pas d’ancêtres et ses racines sont dans ses pas.

Il marche dans l’abîme et a la silhouette du vent.


Psalm

Hij nadert ontwapenend als het woud als wolken, onweerstaanbaar. Gisteren droeg hij een werelddeel en sleepte de zee van haar plaats

Hij tekent de achterkant van de dag, vormt hem met zijn voeten, leent de schoenen van de nacht en wacht op wat niet komt. Hij belichaamt de dingen, kent ze, geeft ze namen zonder ze uit te spreken. Hij is werkelijkheid en tegendeel, leven en ontkenning.

Waar stenen een meer vormen en luwte een stad komt hij tot leven. Al levend brengt hij de wanhoop op een dwaalspoor, wist de ruimte van de hoop uit, danst zo dat de aarde gaapt en bomen zich strekken.

Daar komt hij en meldt dat uitersten elkaar kruisen,

grift op het voorhoofd van onze tijd tekenen van magie.

Hij vult het leven zonder dat iemand hem ziet. Hij verandert het in schuim en dompelt zich er in, maakt de volgende dag tot prooi en rent er wanhopig achteraan. Ingegrift staan zijn woorden gericht op de grote Dwaling.


Verwarring is zijn thuis, maar hij zit vol met ogen.

Hij boezemt angst in, hij brengt tot leven. Hij roept rampen op, stroomt over van ironie. Hij pelt de mens af als een ui.

Hij is de wind die niet terugvalt, het water dat niet terugkeert naar zijn bron. Hij schept zijn soort, beginnend met zichzelf – zonder dat hij voorgangers heeft, hij wortelt in zijn eigen voetstappen.

Hij loopt in de diepte en heeft de gestalte van de wind.



Dood van een god

Een god van ginds is dood

gevallen uit de schedel van de hemel

In de verschrikking en de ondergang

in de wanhoop en verlatenheid

zal misschien de nieuwe god

oprijzen uit de diepten in mij

Misschien ja,

want de aarde is voor mij bed en echtgenote

en de wereld buigt zich


Vandaag heb ik mijn taal

Vandaag heb ik mijn taal

Ik heb mijn rijk verwoest.

Ik heb mijn troon, mijn pleinen en hallen gesloopt.

En ben op zoek gegaan, gedragen door mijn long.

Ik onderwijs aan de zee mijn regen.

Ik breng de zee mijn vuur en mijn haard

En schrijf op mijn lippen de komende tijd.

En vandaag heb ik mijn taal,

Mijn grens, mijn aarde, mijn teken,

Ik heb mijn volken die mij voeden met hun radeloosheid

En bij mijn ruïnes en vleugels verlichting begeren

Vertaling: Eric BOLLE


Het Andalusië van de diepten

Een Andalusië dat opstijgt vanuit Damascus

En het westen de oogst van het oosten brengt.
…..
Als een minnaar die uitbarst in opstandigheid

In de hartstocht van jeugd en verlichting

Stelt hij het Andalusië van de diepten in

Bouwt hij voor de wereld deze nieuwe tempel

En alle verten zijn een boek in zijn naam

En alle verten zijn gezang in zijn naam.