Test
Download document

VAN NIJLEN, Jan


De nieuwe maan

De nieuwe maan staat boven het gesticht
In volle luister en de witte muren
Waarin de vensters vlekken zijn die vuren
Zijn witter dan haar onwaarschijnlijk licht

Nooit heeft de maan een woning zo belicht
Nooit was de mooglijkheid van avonturen
Zozeer nabij. Het duurt slechts enkele uren
Dan gaat de waaier van het wonder dicht

En in de ochtend staat het huis weer grijs
Heel in de verte hoort men dieren lopen
Zich spoedend naar hun oude paradijs

Vannacht ontbloeiden meidoorn en glycien
En ging de rechte kelk der tulpen open
Zij die hier wonen hebben niets gezien


De oude kroeg

Ik houd zozeer van die verlaten kroegen

buiten de stad in het namiddaguur,

men droomt er rustig, wachtend op de vroege

schemeravond, naast een gezellig vuur.

Sedert een eeuw misschien ligt hier wit zand

op de geschuurde en uitgesleten planken.

Alles is oud, de stoelen en de blanke

tafels. Dit is een huis, een vaderland.

‘k Zie door het raam een tuin die druipt van regen,

de winterlucht is mistig, grijs en geel,

en alles wat ik lijdzaam heb verzwegen

dringt plots in kroppend snikken naar mijn keel.

En toch ben ik gelukkig, want nooit kende

mijn jeugd den vrede die ik nu gevoel;

‘k weet mij nu nader bij mijn menslijk doel:

de dood, maar zonder ’t masker der ellende.


Hondsdagen

't Is dag aan dag te warm om te gaan slapen,

Een lauwe mist drijft om de duistre stad:

De jonge meisjes en de jonge knapen

Zijn uitgelaten en van leven zat.

Zij dansen in de nachtelijke stegen

Met al de ernst van een barbaarse stam,

En in hun ogen glimt de troeble vlam

Van het verlangen, teer soms en verlegen.

En ik, ik dwaal... Ik kan niet meer begrijpen

De jonge ontvanklijkheid van hun gemoed.

Mijn jeugd moest in benauwde kamers rijpen,

De levensangst verkoelde 't warme bloed.

En toch: ik ook had kunnen zijn als dezen,

Van huis uit was ik aan hun vreugd niet vreemd,

Maar 't lot, dat zonder reden geeft en neemt,

Heeft mij voor immer uit hun kring verwezen.

En toch: ik voel mij zo behaaglijk thuis

Bij blonde meiden, maagre vagebonden:

Al hun zonden zijn ook mijn zonden,

Hun heerlijk lot is ook mijn loodzwaar kruis.

Maar ik moet verder gaan... En zij, zij blijven

Altijd geketend aan hun zelfde lot,

Zij kennen slechts de wet van hun lijven,

En ik zoek het verborgen licht van God.

In mij, rond mij, en ook in hen. Zij weten

Dat zij verworpelingen zijn. Ik ook

Weet dit van mij, maar door de duistre reten

Van 't aards bestaan bespeurde ik hoe ontlook

Het hemels licht waarvan nooit iemand spreekt.

Door deze wetenschap ben ik gescheiden

Van al mijn broeders. Iedre morgen bleekt

Voor mij met nieuwe angst en jonger lijden.

Omdat ik niet ben die 'k had kunnen zijn:

Een goede vriend, die in vagebonderen

Zijn heil zoekt en kan zalig zijn

Aan elke mijlpaal van de weg des Heren.

Iedere morgen rijp ik met 't verlangen

Anders te zijn dan ik des avonds was,

En voel mij weer hunkr'end en verhangen

Naar blauwe lucht en ruimte en wuivend gras.

En elke avond ben ik weer tevreden

In 't twijfelachtig licht der zwoele steeg,

Omdat in 't dansen van de jonge leden

Het heimwee spreekt dat 's morgens in me zweeg.

En als het vuur des zomers wordt gedoofd

Door kille wind en redelijke regen,

Voel ik een koortsige ijlte in hart en hoofd

Omdat de straten doods zijn en de stegen.

Totdat de wanhoop mij voorgoed weer kluistert

in de enge cel van 't middelmatig lot,

nutloze dromer, die glimlachend luistert

naar de sirenenzang die met hem spot.



Eenzaamheid

De mens is eenzaam tot en met zijn dood.
Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar,
En, zelfs geboren uit dezelfde schoot,
Zijn wij nog vreemden voor elkaar.

Wat weet ik van mijn zuster en mijn vader,
Wat van mijn moeder en mijn eigen kind?
En is mijn vrouw mij altijd zoveel nader
Dan de arme meid voor 't eerst bemind?

Nooit kan een hart een ander overwinnen;
Van lief tot minnaar en van mens tot mens
Kunnen wij nooit geheel volmaakt beminnen;
Er is altijd een kloof, een grens.

't Is niet eens zeker dat de dood verenen
Kan wat het leven onmeedogend scheidt,
En er bestaat niet, van Parijs tot Wenen,
Een koffiehuis 'In de Eenzaamheid'!



De Tuinier


Hij is voortaan alleen nog maar tuinier,

Vergat voorgoed de straten en de steden

En hij verzorgt, verlost van zijn verleden,

De tere flox, de stralende anjelier.

Hij woont zo ver, wie achterhaalt hem hier?

Het kleine dorp ligt rustig daar beneden....

Zijn leven heeft voortaan geen andre reden,

Dan de berusting van het vreedzaam dier.

Maar soms in vroege nacht, wanneer de maan

Oranjekleurig bloeit aan de bewaasde kimmen,

Voelt hij zijn hart heel even sneller slaan,

Als hij ziet rijzen in opalen gloor

Al de gedaanten uit het rijk der schimmen

Die hij bemind heeft en voorgoed verloor.



De schepen

Ik hoor vanavond verre schepen fluiten

En, even hopend, schoon ik niets verwacht,

Druk ik mijn hoofd tegen de kille ruiten

En zie de haven in de blauwe nacht.

Vertrouwd geluid, ik hoorde u reeds als kind,

Soms midden in de nacht, maar meestal tegen

De avond bij het opgaan van de wind,

Als moeder zei: wij krijgen zeker regen.

Toen dacht ik reeds aan dezen die vertrekken

Ver van het huis en het misprezen land,

De begenadigden, de zachte gekken

Die zullen zoeken naar een vaderland,

En in mijn dromen voer ik met hen mee,

Ofschoon geboren in een buurt der haven,

Bereikte ik nooit de oever van de zee,

Laat staan Tananarive of Tamatave.

Het kind dat aan zijn lot nooit gans kon wennen

En door de droom nog voortleeft in de man,

Weet nu dat een klein stukje heide en dennen

Alles bevat wat de aarde geven kan.

Maar soms, al ben ik bitter en gehard

Door 't leven, overstroomt een niet te stuiten

Vloed van verlangens mijn onwillig hart

Als in de nacht de verre schepen fluiten.


De dubbelganger


't Is Jan van Nijlen niet

Die zijn gedichten schreef,

Ik ben de dichter

Van de verzen die hij schreef.

Ik was het die,

Terwijl van Nijlen sliep,

Bij lente- en zomertijd

Door bos en weide liep.

Die kruiden zocht en bloemen

En praatte met de dieren,

En die, terwijl hij op een droog kantoor

Zijn ziel en zaligheid verloor,

In zijn plaats naar de wolken keek.

Hij las de boeken die ik kocht,

Ik was de analfabeet, hij de geleerde.

Ik had het druk, hij liet zich rustig leven,

Hij kreeg het geld en werd gedecoreerd.

O muthos deloi! ja,

De fabel leert

Dat hij die het verdient

Nooit wordt geëerd.

't Is nogal vreemd:

Van Nijlen had geen wroeging

En vond het heel normaal

Dat het zo toeging.


De zwerver

Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
tot op de heuvel in het late licht.
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
van ‘t avonddorp, dat daar verlaten ligt.

Is nu de wereld zoveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijke schouder,
een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.

Ik ben alleen voor gans mijn verder leven,
er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
dáár staat een boom, dáár speelde ik eens als kind.


Augustusavond

Nu valt de wind, nu gaan de wolken rusten

en de avondlucht is blauwer dan de dag,

alles bereidt zich tot de onbewuste

staat die geneest van alle leed en lach.


Wij naderen de lang begeerde kusten

die onze droom jaren en jaren zag:

straks is weer 't hart gevangen in het rag

der verre jeugd en weegt het zwaar van lusten.


Slapen, vergeten en dan weer ontwaken,

met elke dageraad opnieuw verzaken, 

genieten van een enkel ogenblik,


en weten dat wij nooit iets zullen weten,

dat alles nutloos is: gejuich en kreten,

tot aan het einde, tot de laatste snik.


Bericht aan de reizigers

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen
dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

Zit rustig en geduldig naast het open raam:
gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.

Zoek in 't verleden weer uw frisse kinderogen,
kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen.

Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland,

wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.

Laat handelsreizigers over de filmcensuur

hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.

Groet minzaam de stationschefs achter hun groen hekken,
want zonder hun signaal zou nooit één trein vertrekken.

En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente
van uwe lust en hoop en zuur betaalde centen,

blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad
en ge ondervindt dat nooit een enkel uur teloor gaat

En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,
waarvan ge in uw bestaan de naam nooit hebt gehoord,

dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen
betekent voor de dolaards en de ware wijzen...

Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone bomen,
een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome.