Test
Download document

HELMERS, Jan Frederik


De Elyzeese velden
…..
Een zuivre lucht kleedt hier met purperglans de velden,

Een zachte rozengeur golft over 't jeugdig land,

Met lauwerbossen en gewijde mirth beplant.

Hier groeit onsterflijk ooft aan dikgezwollen trossen,

Het zilver beekje glijdt door eeuwig groene bossen,

Omzoomd met bloemen, die zich spieglen in 't kristal:

Een andre zon beschijnt dit zalig zielendal,

Wier zachte stralen door de olijvenblaadren zweven,

En ongevergd aan de aard haar schatten op doen geven!

Der jaargetijden loop is nimmer hier bekend,

Elk drinkt hier in de vreugd der altijd schone lent;

Ja de aard van alles is hier eeuwig, onverderflijk,

't Is alles hier genot, en dat genot onsterflijk.
…..

IS, NEERLAND! DIT UW BEELD?

[Uit de Tweede Zang van: De Hollandsche Natie]

Op de eeuwige Alpen, dik met sneeuw en ijs omschorst,
Ontwringt de schone Rijn zich aan der bergen korst.
Eerst sluipt hij nietig voort, met ongewisse gangen,
Als een versmade beek, nauw waard een naam te ontvangen.

Allengskens aangegroeid, schiet hij langs breder boord
Met jonglings vuur en kracht zijn stoute golven voort
En stort bij Lauffen zich met ongehoord gedonder
In d’afgrond, schuimt en bruist en woelt en wringt van onder

De klippen zich hervoort; getergd door wederstand,
Verbreekt, verbrijzelt hij de rotsen aan zijn kant.
Een hel van water stort hij neer met schriklijk klateren,
En heel de landstreek dreunt van de afgeschoten wateren!

Nu golft hij Duitsland door, met trotse majesteit,
Langs rijke dorpen, aan zijn vruchtbre boord verspreid,
Langs bergen, lachende van Bacchus zegeningen,
En steden, trots gebouwd, die zijne lof bezingen.

Van Ehrenbreitsteins top ziet elk zijn slangenloop

En groet hem, van die hoogte, als bronaâr van Euroop.’


Ach! zoek die schone stroom nu weer bij Katwijks stranden!
Wat vindt ge? een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden.

Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,

Eer zich zijn drabbig nat in ’t zand der duinen smoort.
De vreemdeling, die hem langs Koblentz’ muur zag golven,
Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven.

Hij mijmert aan zijn zoom met waggelende treên,
Denkt aan het oud Karthaag’! - en gaat in weemoed heen.

Is, Neêrland! dit uw beeld? moet uit die flauwe trekken
Mijn hart, dat voor u gloeit, uw naderend lot ontdekken? -

Ach! zult gij, als die stroom; bezwijken in uw loop?
De uitfluiting zijn der aard’? de schandvlek van Euroop’?
Neen! neen! der Vadren roem verspreidt te sterk een luister;
En ’t kroost van zulk een volk zinkt niet geheel in ’t duister.