Test
Download document

VERSCHAEVE, Cyriel


DE MEEUW

Waar men geen kleinheid kan ontwaren,

Maar zij alleen nog blijven leven:

De hemel waar de wolken varen,

De zee waarop de baren streven,

Daar streeft zij, vaart zij met haar mee

En hangt in de hemel boven de zee.

Als zeeschuim wit, blauw als de baren,

Mag zij haar moeders kleuren dragen;

Haar wentlend-boogde vleugels varen,

Gelijk de baren wiegewagen,

Ver, eenzaam ver van elke ree,

Alleen bij zijn moeder, ‘t kind van de zee.

In ‘t maatloos ruim van ijle luchten

En wijde zeeën blijft zij hangen;

Hun eenzaamheid doet haar niet vluchten.

Hun woede ziet zij zonder bangen,

Hoog in des zeewinds storm of vree

Daar hangt zij en volgt het leven der zee.

De zeewind is de zeedrift, vogel!

Als zeeliefde breed, als zeehaat machtig.

O span en stijf uw sterke vlogel,

Houd in de wind u, worstel krachtig,

Leef ‘t reuzen-driftenleven mee:

Al wie haar drift voelt, leeft met de zee.

Zij houdt haar driften eeuw op eeuwen;

Zij doen haar naar de hemel zingen

Of naar de donkre helle schreeuwen.

Blijf hangen in haar eeuwige kringen,

Al kost het moeheid, worstlen, wee;

Slechts wie van haar drift lijdt, vat ook de zee.

De zee te zien, haar drift te voelen

De afgrond-wijden zieleboezem

Met brede golven binnenspoelen,

O daarvoor mag men tot de droesem

De kelk wel legen van haar wee.

Slechts ‘t bittere water wordt ook de zee.

Blijft heel uw deel in de zeedrift vergen,

En, stormt hij langs de oneindige banen,

Huil, lijk uw broeder uit de bergen,

Met al de stormen en de orkanen

Het eindloos lied der grootheid mee,

O wildschone meeuwe, o arend der zee.