Test
Download document

VLIJMINCKX, Geert


Julius Beck-lied

Moeder, nooit keer ik naar uw aarde,

Ik kan het niet verkroppen

Dat jij vergaat in wrange, kille haat

Er ingelepeld door franskiljonse nonnen,

Hun kont afvegend met gevallen blaren.


Wat moest ik bij Dendermondse psychopaters

Die ezelspikken molken in de kloostertuin,

En, rood van Benedictijns plezier,

Dat ventje molesteerden in de hellerefter,

Onder jolijt van rijkeluizen en van Bravezeun?


Die kom-eens-naar-mijn-kamer-paters

Die lachend friemelden met hun confraters

En hun schoonchristelijke frustraties

Uitwerkten op de malle, argeloze kop

Van iemand wiens gezicht nog brandt?


Laat me nu vrij zijn, onbezwaard,

Een uit 't nest gevallen jong van vijftig

Dat alleen nog wil gaan vliegen

Over groene Provençaalse heuvels,

En door de bomen turen naar 't azuur.



Buroticus

Verzonken loopt ie in gedachten,

met aktetas en dito bril,

over het zebrapad.

De marmertrap van het Centraal Station leidt terminaal

naar wereldser regionen.

Gezeten aan zijn weids bureau droomt ie verder,

hij staart, hij mijmert,

over zoveel onzin, zoveel traagheid.



Lied van de Scheldezoon


Zijn trage hersenen ontwaken uit hun winterslaap:

Hij, louter lentedichter, voelt zich een houten bal

Verschopt op een vreemd veld, bekijkt van achter

Beslagen vensterglas de stomme film van zijn leven

Die hij als volleerd sneltreinzitter ziet voorbijrollen,

Weet zich als een aangevallen engel steeds weer

Schuldig, krijgt die koptelefoon met ruis niet afgezet.


O god der goden

O, god der goden, raas,

Ik, zak van bloed en vlees,

van zweet en snot en tranen,

ik heb de wereld opgeblazen.


Hoor het draven van het paard

der verbeelding, de hoeven slaan

op hol achter de volle maan

en niemand stopt die dolle vaart.



Wie ben ik?


Ben ik het gat in uw geheugen,

of is mijn naam een grote leugen?

Ben ik een miereneter in een wespennest,

of gaar ik stof dat van de sterren rest?

Ben ik de wind die door de vlakten jaagt,

of hete bliksem die om donder vraagt?

Ik vlieg verblind van hoog naar laag

en hoor het luiden van de klokken graag.

Ik plant wel duizend bomen,

en blijf van oceanen dromen.

Ik wandel door de appelgaard,

een lijster zingt zijn lied bedaard.