Test
Download document

WARREN, Hans


Ik loop wat in mezelf te karekieten

Ik loop wat in mezelf te karekieten

vang zomer in de thee en in beschuit

in onverschillig welke bundel verzen

in een vlinder die op de as neerstrijkt

de onweersbeestjes op mijn vel, de meeuwen

die strakgespannen vliegeren in ’t blauw.

Ik ben zo leeg zo godverlaten open

als een languitgevlogen merelnest

ik wil niet langer ongelukkig zijn.

Ik loop loom in mezelf te karekieten

langs ’t water dat lauw aan de stenen likt

langs ’t koren dat van hitte staat te rillen

langs ’t riet met lispelende karekieten.

Ik loop mezelf een beetje te ontlopen

en vlij mijn lichaam aan tegen de wind

druppel van laudanum van wielewalen

langzaam in ’t drankje voor mijn trage dorst

drink ruggelings onder de populieren.

Ik trek de deken van de wind tot aan mijn kin

langzaam verlam ik in kunstzijden slaap

mijn ogen kussen warm de witte wolken

mijn mond blijft open op de O van hoe.


Liggend in de zon

De liefste sluimert naast mij in het kruid.

Onder mijn arm door lig ik naar haar te staren.

Soms laat de wind haar zachte lange haren

strelend over mijn rug, mijn naakte huid.

Ik luister naar het ijl ruisend geluid

– mijn adem gaat in ritme met de hare –

naar het verre doffe bruisen van de baren

en naar een wulp, die schor, weemoedig fluit.

Er ligt een wijding over het ongerepte land.

Het is te stil om veel en snel te praten,

enkel een zoen, heel vluchtig op haar hand.

De zilte schorren en het wijde zand

zijn aan ons twee alleen overgelaten.

Er is geen einder en geen overkant.