Test
Download document

BENSCHOP, Nel



Jij, stralend middelpunt van mijn heelal,
ik heb je lief tot in mijn vingertoppen,
en als ik in mijn bloed jouw hart voel kloppen
dan sleept mij een komeet mee in zijn val.


Toch wordt het lente

En tóch geloven dat het lente wordt,
al valt de koude regen neer in stromen
op kale, zwarte takken van de bomen;
al zijn de dagen lichteloos en kort.

En tóch geloven dat de zon het wint,
al houdt ze zich soms dagenlang verborgen;
zoals een mens, in ’t donker van de zorgen,
soms plotseling een zonnig plekje vindt.

En tóch geloven dat ’t gezaaide graan
ontkiemen zal in koude, zwarte aarde;
zoals God in Zijn Zoon Zich openbaarde:
Die leeft, maar uit de dood is op gestaan


Meer dan een moeder troost

Stil maar, Mijn kind Ik weet van je verdriet.
Huil nu maar uit; je hoeft niet flink te wezen.
Het zal wel duren, voor je wonden zijn genezen;
Ik weet het. Droeg Ik al de smart der wereld niet?

Stil maar, Mijn kind Ik weet wat je behoeft:
Woorden van troost, die om geen uitleg vragen,
een arm die steunt en die je last helpt dragen,
een hart dat mee schreit om wat jou bedroeft.

Stil maar, Mijn kind de nacht gaat weer voorbij;
Ik strooi het licht uit, waar je voeten lopen,
Ik doe de dichte deur weer voor je open,
Ik ben er altijd. Maar vertrouw op mij.

Stil maar, Mijn kind Ik geef je troost en moed,
meer dan een moeder aan haar kind kan geven.
Je naam staat in Mijn handpalmen geschreven:
Ik schreef de letters met Mijn eigen bloed ...


Ontmoeting

Er is een vreugde, die te groot voor woorden
een uitweg vindt in woordeloos gebed;
een stroom van dank, die buiten alle boorden
mijn levensakker onder water zet.

Er is een rust die niemand kan verstoren,
en een geloof dat geen mens mij ontneemt,
de zekerheid dat ik bij U mag horen,
dat niets ter wereld mij van U vervreemdt.

Er is een haven, waar ik in kan landen,
een schuilplaats, waar ik voor de stormen vlucht,
een havenlicht, dat altijd fel blijft branden,
een ster, die schittert aan een zwarte lucht.

Want Gij staat op elk kruispunt van mijn leven,
Gij kent mijn zorgen, voor ik ze U zeg;
Ik weet mij door Uw engelen omgeven,
en kom U tegen Heer, op elke weg.


Scheepje onder Jezus' hoede

Dit is afschuwelijk: die zwarte eenzaamheid,

dit weggeslagen zijn van ied're kust,

dit drijven op de stroom van tijd naar eeuwigheid,

dit worstelen vóór de eindelijke rust.


Ik ben een drenkeling, wiens schip te pletter sloeg

en klem me vast aan nog een wrakstuk hout,

waarom? Ik wou toch dat de zee mij niet meer droeg

en dat ik zonk - ik krijg het al zo koud.


God, waar is het schip met 's Vaders Zoon aan boord?

Waar is de kruisvlag, wapp'rend in de top?

Wanneer Gij spreekt, al is het maar een enkel woord,

dan vecht ik door. - Maar nu geef ik het op.


- "Het is niet ver meer naar het veilig strand,

nog éven, kind, dan trek Ik je aan land.



In memoriam voor een vriend


Rust nu maar uit je hebt je strijd gestreden.

Je hebt het als een moedig man gedaan.

Wie kan begrijpen, wat je hebt geleden.

En wie kan voelen, wat je hebt doorstaan?

Rust nu maar uit - je taak is afgekomen;

vandaag heeft God de kroon op 't werk gezet

dat je eenmaal in Zijn kracht hebt ondernomen.

De zin was af. God heeft een punt gezet.

Maar 't valt ons moeilijk om de zin te vatten

van 't zwijgen van je laatste hartenklop.

Misschien alleen maar dit: De afgematten

en moeden varen als met arendsvleug'len op...




( 1985, Interview met De Telegraaf: “….. Ik heb geen literaire pretenties. Ik schrijf voor anderen en niet uit een soort literaire zelfbevrediging. God en de natuur vormen voor mij een bron van inspiratie. Het doet me pijn als mensen daar geringschattend over doen. …..”)