Test
Download document

MOK, Maurits


Lezende vrouw

Onder het lamplicht, met het licht van haar bestaan

volkomen in haar ogen saamgebracht,

leest zij een boek, een blinkend voetspoor van papier

In het verlaten kamerdonker.

De haard loost af en toe een korte snik,

in dak en muren kraken de gewrichten

onder de spanning van een atmosfeer

die zoveel sterren dragen moet,

dat hij de huizen en de grond

langzaam te pletter drukt.

Maar zij beweegt haar ogen door het licht

met de gelovige bezorgdheid van een vrouw,

in wier gepeins de ruimte zich versmalt

tot menselijke innigheid, een stem

waarin van vraag en antwoord het geluid

tezamen vloeit.


CONGRESGANGER

Ik was daar in het bezige gezelschap
van mensen, aangegord tot het verbouwen
der samenleving, en ik zag hen doende,
bouwmeesters, metselaars en timmerlieden,
en boog het hoofd en zocht de fundamenten,
nieuwsgierig en bezorgd; ik vond alleen
mijn beide schoenen die daar eenzaam stonden
ergens op aarde, ik vernam
als wind het reppen van de vele voeten,
geestdriftig naar de toekomst onderweg.
Ik wou wel meegaan, ik geloofde ook
in morgenstonden met vergulde monden
en armen die een brug van liefde slaan;
maar toen ik opkeek was het al te laat:
ik had een ogenblik niet meegeleefd
en reeds was ik een eeuwigheid ten achter.


Thuiskomst

Soms kwam mijn vader door de wind naar huis,
een schaduwloze man met lege handen.
Tot aan de daken steeg de roepstem van
Zijn schreden en vervaagde in de lucht.

Een wereld volgde hem: dwarse gelaten
waarop hij zich een levenslange dag
had stukgelopen. Zwaar van schouders
duwde hij zich tot aan de huisdeur voort.

Mijn kinderogen zagen hoe hij
zijn last naar binnen tilde. Achter hem
viel met een doffe slag de ruimte dicht.
Een mes van angst bleef in mijn lichaam staan.

Fluisteringen ergens in het huis
joegen mijn hart op. Ik zag door het raam
de straat al verder in de tijd ontwijken.
Het daglicht vluchtte op voeten van de wind.

De eerste sterren sprongen open.
Mijn vader kwam binnen. Ik had geen adem.
Er trilde een spanning alsof de aarde
bleef stilstaan op haar weg door het heelal


Grondtoon

Het is vroeg geweest en laat geworden,

lente, zomer en de nasleep van de jaren

die ik geleefd heb, het zingen en vloeken

van een wereld die zichzelf omhelst,

slijk uit goud perst, goud uit slijk,

geen zee genoeg heeft om zich schoon te wassen

en elke morgen met de oogopslag

der argeloosheid uit haar nacht verrijst.

Nu, met de herfstzon in mijn rug,

een uitdovende einder voor mijn ogen,

verinnerlijkt zich alle woede tot

de grondtoon van dit universum,

vaart mij uit stenen en sterren dezelfde

wanhopige extase aan, verankering

die zich niet uit haar gronden los kan rukken.

Ik leg mijn handen in elkaar, ik voel

mijn hart, de trillende secondewijzer

van een stilstaande dag.


Avond aan avond

Avond aan avond met de laatste
dingen voor ogen. Een gesloten kamerdeur,
een lamp, een schroeiplek in het donker,
ruimte die op dak en muren drukt,
mijn hand die schrijvend door het niets beweegt.

Avond aan avond, een kort leven lang,
en telkens nader bij de grote slaap
die mij van kruin tot zolen zal omvatten,
een gepantserde, een buiten alle raadsels
uitgeworpene. Soms lijkt de stilte hier
al op die latere.


Het wordt daarbuiten nacht

Het wordt daarbuiten nacht, ik weet het wel.

De aarde balt haar laatste krachten samen

om zich te niet te leven in een spel

van bloed en vuur dat alle hemelramen

voor eeuwen met een roetwolk zal beslaan.

Maar nimmer kan een chaos blinder wezen

dan die ik hier en nu reeds moet doorstaan

telkens wanneer miljoenen ongenezen

wonden als ogen aan mij opengaan

en ik de put der wereld zie ontsloten

in heel zijn zinneloze duisternis

en aldoor nieuwe ogen zich ontbloten

waarin het licht tot steen ontluisterd is.

Laat het atomen regenen, het rood

der morgens zal op andere planeten

zijn spel hervatten met dezelfde dood

waarvoor wij hier geen redding weten.


De wereld in

De kinderen achter onze blinde rug

bouwden inmiddels luidkeels aan

een wereldrijk van reuzen en dwergen;

de achterbank wemelde van hun getal.

Bossen en bergen verhieven hun kruinen;

rivieren spoten uit het bovenland

en renden dwars door de verwondering

der halfgoden omlaag naar zeeën

vol hoogopspattend licht - totdat

een hand, een voet, in geestdrift afgedwaald,

het visioen aan scherven sloeg,

de vreugde schreilings onderging

en slechts door tovermacht van snoeperij

haar graf ontstijgen kon.