Test
Download document

SCHULTE NORDHOLT, J.W.


Thuiskomen

Het venster vangt het avondlicht,
de deur gaat open voor mijn stap,
het landschap achter mij valt dicht,
ik loop in ‘t donker op de trap.
Het huis van onze liefde is
een hemel in de duisternis.

Wat jij dan bent en ik dan ben
dat is als water in het land,
zo liggen onze lichamen
dan open in elkanders hand,
en onze zielen dicht ineen,
als ringen om elkander heen.


Existentie

Hier loopt het ik, het loopt zichzelf te vinden,

het ziet verbaasd de regen en het gras.

Het denkt: wat loop ik hier zo in den blinde,

wie laat dit hart slaan, wie bepaalt de pas?

Het luistert naar de stromen van de winden.

Hier loopt het ik, het treft zich aan in straten

die het slechts na lang aarzelen herkent.

Het ziet de huizen, lange, donkre raten

tegen het harde blauwe firmament.

Wat gaat het hier zo eenzaam en verlaten.

Hier loopt het ik, vanwaar is het gekomen

tot dit moment als tot een open plek,

waar tussen het zwart geheim der bomen

zich in een maanblank watervlak ontdekt

en wakker wordt en toch volloopt met dromen.

Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten

naar waar, naar waar? Het kent de wegen niet.

Alleen: het is! Het wil de aarde groeten

met een herkennend nieuw en oeroud lied.

Hier loopt het ik en het wil God ontmoeten.

Voor Evert Smelik


Adieu

In de kamer zit ik aan de tafel,

luister naar het suizen in mijn oren.

Vogels houden eindelijk hun snavel,

het wordt stil ik kan de sterren horen,

en wat in de aarde wordt geboren.

Nu vannacht, het hele huis ligt open,

ik zit in de blote eeuwigheid,

en ik laat mij door de regen dopen

voor een zachte dood, ik ben bereid.

Regen regent en de bomen lopen

bij mij binnen, op mijn hand die schrijft

groeit het gras. Adieu. Mijn hart verstijft.


Middeleeuws schilderij

De heiligen lopen op vogelvoeten,

zo kuis en zo voorzichtig, door het woud.

Zij willen met een louter leven boeten

dat deze wereld donker is en koud.

En in het hoge takkennet begint

een heel ijl voorjaar aan het heilig leven.

Iedere heilige wordt weer een kind

dat groeit naar God, spichtig, en onbedreven

in nog iets anders dan de ogen heffen,

de vingers vlechten in een bidgebaar,

liever verdwalend in het stamgewemel

dan ergens medemensen aan te treffen.

Zij krijgen langzaam bloemen in het haar

en worden zo een voorjaar van de hemel.