Test
Download document

LODEIZEN, Hans


Als ik nu ga zal het zachter

Als ik nu ga zal het zachter 

zijn, in de wind, in de huizen,

zal het hart zachter proeven aan

de zonnebloemen en aan de lange

stem die uit de kamer hangt

in de tuin vol nachtegaalgezang

als ik nu ga zal het minder

wreed in je schouders bijten en 

ook plezier op je lichaam leggen

als veel fruit op een schaal als

ik nu ga zal het regenen de

wind zal sprookjes weven in 

de avond als ik nu ga zal

het zomer zijn voor het garen

maar ik lig nog aan je armen

verankerd in de haven van de

stad maar ik ben nog bij je

maar mijn stem glijdt nog over

je als een strijkstok maar ik

houd toch van je dat weet je

maar ik slaap nog op je borst

ik ben nog niet heengegaan

de treinen zijn allemaal vertrokken

ik ben nog niet heengegaan

de kaartjes zijn verkocht

de koffers zijn ingestapt

ik ben gebleven

als ik nu ga zal het zachter

zijn, in de wind, in de huizen.

en toch, ofschoon 

de wind is gaan

liggen, en het bos wuift

en knikkebolt

nu dat de slaap als 

een harp klinkt en 

de kinderen zingen

leg ik mijn elleboog op de

donkere middag en huil

muziek vallend door het bos

als herfstbladeren een lied

gezongen door de sopraan der eiken

vang de lange buit

maar om weg te gaan

voordat het uur een vlinder is

die opvliegt en verdwijnt.


Je hebt me alleen gelaten

je hebt me alleen gelaten
maar ik heb het je al vergeven

want ik weet dat je nog ergens bent
vannacht nog, toen ik door de stad
dwaalde, zag ik je silhouet in het glas
van een badkamer

en gisteren hoorde ik je in het bos lachen
zie je, ik weet dat je er nog bent

laatst reed je me voorbij met vier
andere mensen in een oude auto
en ofschoon jij de enige was die
niet omkeek, wist ik toch dat jij
de enige was die mij herkende de enige
die zonder mij niet kan leven

en ik heb geglimlacht

ik was zeker dat je me niet verlaten zou
morgen misschien zul je terugkomen
of anders overmorgen of wie weet wel nooit

maar je kunt me niet verlaten


God zat onder de appelboom

God zat onder de appelboom

Een mandje met lunch naast hem

Hij tastte naar de fles en dronk

En de engelen zongen: Halleluja.

Daarna floot hij en likte

Zijn vingers af en veegde

Zijn lippen schoon met een

Servet dat aan de boom hing.

Maar een stem zei: Pas op

God, dat gaat maar niet zó;

De mensen rotten als appels

En jij bent verantwoordelijk.

Of God het gehoord had of niet

Hij stak een sigaret op na

Zijn lunch, trok zijn schoenen

Uit en keek naar de boomgaard.


O, kus mij, o omarm mij

O, kus mij, o omarm mij

Ik heb lang in de regen gestaan

Ik heb lang op de bus gewacht

Ik heb geen taxi kunnen krijgen

Ik heb lang wakker gelegen

Ik heb ontzettend gedroomd

Ik heb niets gegeten

Ik heb gestolen

O kus mij, o omarm mij

Ik ben de witte slanke jongen

Ik ben degene die droomde

Ik ben de schim in de regen

Ik ben de danser, de dirigent

Ik ben de man bij het avondrood

Ik ben het lichaam

Ik ben de enige


De buigzaamheid van het verdriet

in een wereld van louter plezier

kwam ik haar tegen, glimlachend,

en ze zei: wat liefde is geweest

luister ernaar in de bomen

en ik knikte en we liepen nog lang

in de stille tuin.

de wereld was van louter golven

en ik zonk in haar als een lijk

naar beneden het water sloot

boven mijn hoofd en even

voelde ik een vis langs mij strijken

in de stille zee.

dag zei ik tegen haar dag kom

je nog eens tegen, glimlachend

maar de wind blies weg

haar gezicht in het water

en ik knikte en ik werd onzichtbaar

in het stille leven


deze ochtend

deze ochtend draagt de wind

kinderen op haar boezem

en ontrafelt het lange windsel

van haar schoot.

wij liggen in kussens

uit te rusten, luisterend

naar trams die de borst

van het licht verscheuren

over de rust der vogels

wiegende in een tak.

wij willen naar het einde

van de wereld gaan, daar

waar de mast breekt en de schepen

schuin over de zee vallen,

niet denkend aan morgen;

dromend tegen de hemel.


Toen de dag was weggelopen

Toen de dag was weggelopen in het zachte

gras en de nacht haar jurk wellustig

neerspreidde, een sluier over de bloemen

toen het donker was en de nachtegaal zong,

heb ik je ogen herkend overal om me heen

nu is het avond: donker als altijd

wanneer de zon's handengewuif

vrolijk is ondergegaan of als een waaier

is toegevouwen voor de hemel waar

vogels als een waterval zingen. -

en zo stil als nooit ben ik langs de

paden van de tuin gegaan, lachend

tegen de nacht; zal ik zeggen hoe

droevig de geuren roken die langzaam

deinden op de wind als zeilschepen...?