Test
Download document

BOENS, Daan



BALLADE VAN DE ONSCHULD


Op 't grijs perron, nabij de Docks

Een blonde Lady met haar fox:


Een geur van wind en visserijen,

Van zee, van lis en specerijen,


Een lage lucht, een rookkolom,

Sirenenkreet, claxongebrom,


Een autosliert, een mensenjagen

En zij daarin op 't licht gedragen.


Zeer blond, zeer slank, doorschijnend glas,

In geur van rozen: roos in was,


Als kelk, heur haar op 't bont gegleden,

Als dauw haar ogen, naar beneden,


Onroerbaar staat zij op 't perron

En leeft en heerst: door mist de zon.


Wie gaat voorbij, kijkt op, treedt nader,

Denkt: 'Botticelli buiten kader.'


Zij waakt, negeert wie gaan voorbij,

blijft vrouw en recht in 't wild getij.


Zij streelt haar hond, zij glimlacht even:

dierogen zien haar naakt begeven.