Test
Download document

P.C. BOUTENS


Goede dood

Goede Dood wiens zuiver pijpen
Door 't verstilde leven boort,
Die tot glimlach van begrijpen
Alle jong en schoon bekoort,

Voor wie kinderen en wijzen
Lachend laten boek en spel,
Voor wie maar verkleumde grijzen
Huivren in hun kille cel, -

Mij is elke dag verloren,
Die uw lokstem niet verneemt;
Want dit land van most en koren
Is mij immer schoon en vreemd;

Want nooit beurde ik hier te drinken
't Water dat de ziel verjongt,
Of van dichtbij hief te klinken
't Verre wijsje dat gij zongt:

Alle schoon dat de aard kan geven,
Blijkt een pad dat tot u voert,
En alleen is leven leven
Als het tot de dood ontroert.


Nacht-stilte

Stil, wees stil: op zilvren voeten
Schrijdt de stilte door de nacht,
Stilte die der goden groeten
Overbrengt naar lage wacht...
Wat niet ziel tot ziel kon spreken
Door der dagen ijl gegons,
Spreekt uit overluchtse streken,
Klaar als ster in licht zou breken,
Zonder smet van taal of teken
God in elk van ons.


De maan is al boven de seringen

De maan is al boven de seringen;
De stralen hellen de kruinen langs...
De nachtegaal houdt zich stil van zingen
Tot de hof verlucht staat van haar glans.

Tot de donkere tuin als een ijle beker
Tintelt vol licht, dofgouden wijn,
En als slaapwandelaars onzeker
De rozen ontwaken in de schijn...

Ik weet niet wat ik meer moet vrezen,
De nachtegaal met haar luide klacht,
Of de stille maan die droomt volrezen
Over de witte rozenpracht...

Laat doof en blind mij - ik kan niet dragen
De telkens valse dageraad...
Wanneer zal eindlijk mijn zon weer dagen,
Die alle schemerschoon verslaat?


Morgenlijk verwachten

De dag staat als een maal bereid.

Ik proef in 't zuivre morgenlicht

Als een nog woordeloos gedicht

Uw naë afwezigheid


De verten zijn al luw van u,

Waar zon de laatste neevlen reeft,

Gij zijt al in het windbegin

Dat door de tere toppen beeft...


Breng mij mijn deel van 't koel gespeel

Dat tintelwater achter wilgen doet,

Van 't luchtazuur dat als blauw vuur

Door lichte linden gloedt.



Eindeloos

Wij die onze eenzaamheid

Droegen als goden,

Wij kunnen minnen

Eindeloos. . .

Zie welk een huis ons
Verlangen gebouwd heeft:
Landen en zeeën
Plaveien zijn vloeren,
Zonlicht en maanschijn
Zoldren de kameren,
Achter de sterren
Wijken de tinnen -
Wij kunnen minnen
Eindeloos. . .

Lief, dat gij mijn zijt,
Lief, dat ik uw ben,
Wat is het anders
Dan de diep-eerlijke
Grondloze klaarheid
Onzer onneembaarheid:
't Wolkloos bezinnen
Dat wij beminnen
Eindeloos. . . ?

Leven is groeien:
Enkel oneindigheid
Waarborgt ons liefde, lief,
't Eeuwige leven, lief, -
Leven was groeien, lief,
Eindeloos:
Nu wordt het bloeien, lief,
Eindeloos. . .

Wij die onze eenzaamheid
Droegen als goden,
Wij kunnen minnen
Eindeloos!


Liefdes uur

Hoe laat is ’t aan de tijd

        Het is de blanke dageraad:
        De diepe wei waar nog geen maaier gaat,
        Staat van bedauwde bloemen wit en geel;
        Weg in het nevellicht azuur;
        En morgens zingend hart, de leeuwrik, slaat
        Uit zijn verdwaasde keel
        Wijsheid die geen betracht en elk verstaat,

        Vreugd zonder maat,
        Vreugd zonder duur…

Hoe laat is ‘t aan de tijd?
        ‘t Is liefdes uur.

Hoe laat is ‘t aan de tijd?
        De zon genaakt de middagstee:
        In diepte van doorgloede luchtezee
        Smoort de akker onder ‘t bare goud;
        De vonken sikkel snerpt door ‘t droge graan;
        De schaduw krimpt terug in ‘t hout;
        In hemel – en in waterbaan
        Geen wolken gaan;
        Alleen de wit-doorzichte maan
        Blijft louter in het blauwe hemelvuur…

Hoe laat is ‘t aan de tijd?
        ‘t Is liefdes uur.

Hoe laat is ‘t aan de tijd?
        ‘t Is de avond: in zijn rosse goud
        Wordt schoon en oud
        Der wereld dagehel gezicht;
        Snel aan de hemel valt het water van het licht;
        En al de windestemmen komen vrij;
        De laatste wagen wankelt naar de schuur;
        De doden wenken aan den duistre Oostermuur;
        En boven glansbelopen
        Westerse schans in groene hemelwei
        Straalt Venus’ gouden aster open
        Zo plotseling en puur…

Hoe laat is ‘t aan de dag?
        ‘t Is liefdes uur.


Slaapwandelen

Ik doof de lamp -: klaarwakker ligt

In manelicht

Mijn late tuin al winters leeg.

Aan d' overmuur aan 't eind van 't pad

Staat nog de moerbei ijl in blad

Van dunste verven,

En aan de maandroos vlinderveeg

Zweeft nog een knop te sterven...

Door de verlichte stilte licht

Uw blind gezicht,

Uw bleke handen vlammen voor u uit.

Ik hoor het krimpen van de blaên

Waar langs het perk uw voeten gaan,

Ik hoor uw aêms geruchten

Verdeinen op de hoge luit

Der strakgespannen luchten...

…..

Hoe drongt gij op dit weerloos uur

Door deur en muur?

Wat lichte droom geleidde uw donkre tast?

Bleef in zijn verre heerschappij

Uw hart niet meer gerust en blij?

Wou zich uw macht bewijzen,

Dat gij mijn eenzaamheid verrast

Met onvoorspelde reize?...

Ik aan de duistre kant van 't raam

Stamel uw naam -

Geen klank ontbloeit: mijn lippen blijven stom.

Ik voel mijn armen vastgeleid

In roerloze gebondenheid.

Zoals gij zijt gekomen -

Gij staat niet stil, gij kijkt niet om -

Zie ik u weggenomen...

Ik ben alleen: - klaarwakker ligt

In manelicht

De late tuin al winters leeg.

Aan d' overmuur aan 't eind van 't pad

Staat nog de moerbei ijl in blad

Van dunste verven,

En aan de maandroos vlinderveeg
Zweeft nog een knop te sterven.


Oerania

α τ ς γ ρ χα γ παρ ην τ ' γ γνετο Κ πρις .

De rosse zon hangt voor de purpren kimmedauw.

Het vlotte vlak der zee in stroken bleek satijn

Spiegelt de hoge weelden van smaragden schijn

Waar eenzaam schrijdt Oerania langs de hemelbrauw.

Dit is haar eigen dag, avond en morgen saam

Der uurloos eeuwige getijden van de ziel:

De korte helle wake waarheen samenviel

Wat hopen en herdenken droomt in liefdes naam.

De vlammerode hartstocht van de zomerdag

Koelt in de zilvren kroes tot honinggouden spijs.

Daar barst de broze vorm van blond doorzichtig ijs -

Over de watren ruist uw jonge godelach.

O dieper om alle ogen die ik heb bemind,

O roder om al lippen die ik heb gekust -

Uw ogen en uw lippen onder de effen rust

Van 't elpen voorhoofd waar de roos zich bloedend windt!

Brandpunt van schoonheids heimlijkheid, opperst Altaar

Waar in éen vlam versmelten toekomst en verleên, -

Uw voeten raken 't wankle opaal der golvetreên,

De hemel is een kolk van aureolen rond uw haar.

Het hooglied van uw bloed, het zingen van uw hart

Vult met muziek den horen der oneindigheid

Inniger dan de leeuwerik den morgen blijdt,

Zoeter dan nachtegaals melodieuze smart...

Wanneer reikt van uw lippen 't morgenhelle rood

Tot mijner lippen donkre eeuwenoude dorst,

En sluit de brand van uwer armen vlammen om mijn borst?...

O in dit leven niet, en nog niet in de dood!



Negende strofe uit de nalatenschap van Andries de Hoghe

Daar is niet éen die eenzaam gaat als ik,

en geen der andren draagt zijn harts geheim -

dit donker zaad dat zwelt naar lichten bloei,

dit stomme leed dat hijgt naar luid geluk -

in zulk een klem van onverbreekbaar zwijgen.

Want als een kind, in vroegste jeugd verdoold

naar een ver land, moeder en moedertaal

alleen nog weet als felbewust gemis,

ergens achter de bleke horizon

een lang verloren onbereikbre schat;

en als zijn hart in druk van smart of vreugd

zich uit moet spreken aan een ander hart,

keert het vreemd woord in ledige echo weder,

ijdel en dood zodra zijn mond het sprak -:

zó, waar ik door de lichte volten dwaal

van dit ontelbaar levendschone volk,

wenken van de overzij der dubble stilte

ogen alzijds mijn ogen als gelijken,

en mijn hart bonst in luideloze zang;

maar als mijn schuwe groet hun nadertreedt,

en van hun lippen ruist het helder antwoord,

dan voel ik hoe ik nimmer halen zal

de simple aanslag van dien heemse toon,

en 't teedre lied blijft op mijn lippen stom...

En andren onderwijl, als duistre schimmen,

met ogen achter schaduwmom versmeuld,

sluipen en duiken door het dichtst gewoel,

en vaak benadert mij hun half gebaar

als een dof grijnzen: ‘gij zijt éen van ons’ -

en van hun lippen valt een hees gefluister,

een taal waarin geen schepsel zingen kan,

maar waarvan iedre klank mijn hart doorpriemt

en ieder woord mijn diepste wezen schokt,

en tranen wellen, die mijn ogen branden...

O daar is geen die eenzaam gaat als ik!