Test
Download document

BUCKINX, Pieter Geert


Droomvuur

Iets bleef ons in de nood:

dit kleine lichaam, de geheimenis

van tranen en van dood.

En dit ondoofbaar vuur

dat ons gegeven is

en branden blijven zal

tot ’t helderste kristal

de doem, de duisternis.

De vogels in het dal.

het schuim, de waterval

waarin ik vlammend vond

het fel en teder spel

van zon en regenbogen,

de roos van uwen mond,

de appels van uw ogen

en van dit bloed de diepe dorst.

Nu weet ik dat ik nimmer meer kan slapen

dan aan de wilde geur der aarde,

aan uw borst.


Herfst

Ouder worden, naar elkander kijken,
en de ogen afwenden van elkaar,
naar de dagen en de jaren die verstrijken
in het grijzer worden van het haar.

Bang zijn voor de rimpels, voor de tijgerogen
van de dood achter de gordijnen,
waar de vlinders der verschrikking wonen,
en de wagensporen van de herfst verdwijnen
in de nevels, in de doodskou van het kreupelhout.

Bang zijn voor het laatste najaarsgoud,
voor de kamer, voor de spiegels en de wanden
en elkanders blik ontwijken, onverzadigd
neer te kijken langs de holle aders
op het winterlandschap van uw handen


Het onvergankelijk zaad

Leer mij dit land beminnen of verachten

mijn trotse torens waar de herfst in klaagt,

mijn kathedralen, ruïnen, heuvelen en grachten,

mijn golvend zeeschuim waar de wind in jaagt.

O land van zon en storm, waar de onterfden dwalen,

melaats en uitgehold, verzuurd van wrok en spijt.
De wolken drijven toe, ik zie Gods schaduw dalen

over mijn somber land dat in de nacht verglijdt.

Maar door de wortelgrond van onze nederlagen

en door het striemend zeer dat ons de roede slaat,

breekt altijd weer opnieuw het onverganklijk zaad:

het donker smeulend vuur dat 't leven nooit verraadt


Wat ik schrijf met deze hand

Wat ik schrijf met deze hand

zal blijven duren

lang nadat deze hand

tot as is verbrand.


De woorden blijven wonen

wellicht in de droom van een kind

dat onder het bladgoud van de herfst

naar de wind in de bomen luistert.


Niets vergaat, noch de spiegeling in uw oog,

noch het beven van het maanlicht

op de schouders van de voorjaarsbruid,

noch het hout dat in het zomervuur verdort.


Niets vergaat, ook niet de grauwe as

die met de wind verwaait

en in de waterval der eeuwen

wit gewassen wordt.



Cap Ferrat


Gij staat - een bronzen beeld - in `t vlammend vuur der zon,

terwijl het water wild uw heup omspat.


Hier is het dat mijn leven vlammende begon.

O bronzen tover van uw vlees en bloed,

o vurig lied van rozen en van sneeuw,

o wilde kreet der snelgewiekte meeuw

die sidderend uw sIanke schaduw vindt

in ´t schuimend water dat u wild omspat.


Blonde knapen spelen in het zand

zorgeloos, zoals de wind speelt in uw hand

aan het wonderbare fluistren van uw bloed.

Kleine schelpen breken zingend aan uw voet.


Zoals daar wiegend aan het water ligt

de witte meeuw,

alsof zij in dit land van rozen en van sneeuw

voor immer uw glimlach wou bewaren,

zo lig ik roerloos aan het zwarte waaien van uw haren

en aan het wonderbare fluistren van uw bloed


ach,

kleine schelpen breken kreunend aan uw voet.



Roos en vogel


Van roos en vogel ken ik de geheimen,

van maan en sneeuw de diepe zuiverheid,

en van het windekruid het wapperende deinen

en van het ruisend gras dat zacht zich open spreidt

gelijk een bed, het avondzoete geuren

diep in het bos, diep in het hartsgebied


Ik roep de dingen wakker uit het niet

en uit het rode riet, uit klanken en uit kleuren

wek ik de zoete dromen van de nacht,

waarin wij sidderend en blind verglijden

als in dit bed van gras dat peluwzacht

is, of een Engel sliep aan onze zijde



Vuurnacht

Wat toen gebeurde weten wij alleen


Uit regens van rots en steen

schuurden de donders over ons heen.


De paarden renden briesend door de bossen

wijl witte bliksems uit hun zwarte manen sloegen.

Rood en purper gloeide d’aarde, trossen

vuur wentelden de wolken uit. Slanke hinden kloegen

aan het vlammend meer hun angst en dorst.


Maar gij laagt wit en bevend aan mijn borst

te schreien. Uw zachte handen zochten mijne haren

waarin nog morgenlijk de vreemde geuren dwaalden

uit het paradijs dat diep in het verschrikte staren

uwer ogen sliep en dat ons werd ontroofd.


Al storten rotsen en wolken over ons hoofd,

Deze steile vlam, dit bloed wordt nooit gedoofd.


Want eenmaal drijven de wateren voorbij

schuimend en rood, en ook de wolken drijven

naar dieper verten, maar mijn armen blijven

dit witte kind omstrengelen en bedwelmen

In de dood.



Ik ben niet meer alleen


Ik ben niet meer alleen

Een vreemde siddering vaart door mij heen

als ik de dingen aanraak die gij hebt bemind.


Ik dool geluidloos in de morgenwind

door dit welluidend land, door bossen en door dalen,

de koele lovers langs waarin de nachtegalen

de dieren dromen doen van hun betoverd lied.


Ik ben niet meer alleen

in dit van droom en eeuwigheid doorstraald gebied

waar dood en leven naast elkander schrijden.


Waarom loopt gij nu zwijgend aan mijn zijde ?



Gebed

Geef in het voorjaar mij de stem der goden,

en in de zomer ’t helder vogellied,

en in de herfst de bloemen voor mijn doden,

en in de winter ’t vuur voor mijn verdriet,

want wie het vuur en het verdriet versmaden,

en wie het leven hier op aard verraden,

verdienen ook de hemel niet.