Test
Download document

ADAMA VAN SCHELTEMA, Carel Steven


Bede

Schoonheid, die in de hemel zijt,

Die de eeuwigheid heeft opgeschreven,

Geef ons iets van uw eindloosheid,

Geef ons van uw verhevenheid,

Van uw geweldigheid -

Om groot te leven!

Schoonheid, die in de wereld zijt,

Die tussen mensen hangt te beven,

Geef ons van uw eenvoudigheid,

Geef van uw mededeelzaamheid,

Van uw deemoedigheid -

Om goed te leven!

Schoonheid, die in ons zelve zijt,

Die moeder ons heeft meegegeven,

Geef aan onze ogen zuiverheid,

Geef aan ons hoofd uw helderheid,

Ons hart uw dapperheid -

Eerlijk te leven!


Avondgebed

De avond is gevallen,

De dag gaat dood, -

De bomen worden allen

Wonderlijk groot.

In de verte, in de landen,

Daar ligt wat goud, -

De nacht maakt onze handen

Zo stil – zo oud.

Schoonheid hebt gij ons leven

Eenmaal gekust,

Dan gaan wij ‘t avond even

Zwijgend te rust.


Polder met jouw witte wegen

Polder met jouw witte wegen

En jouw sloten aan de kant,

Met jouw wijde, allerzijde

Vredig bloeiend waterland,

Met de dromerige zegen
Van jouw welig zachte vee,

Voel ik mij jouw ziel genegen,

Deelt hij zich de mijne mee.

Polder met jou ben 'k verwant:

Wij zijn dingen van een land!

Polder - van de duinen dalen

Weer mijn voeten naar jouw kant -

Ach, wat restte mij ten leste

Dan jouw kleine waterland!

Dan te dromen en te dwalen
Door de bloemen van jouw wei,

Dan te leven en te stralen -

En te sterven zoals zij!

Polder, met jou ben 'k verwant:

Ziel van 't eigen lieve land!


Verlangen

De avond ruist door de akkerlanden

En draagt met een zoete zucht

Uit mijn warme stille handen

De geuren naar de verre lucht,

Naar - naar ik weet niet wat

De avondwind begint te waaien,

Ik voel hem aan mijn lijf, mijn haar,

De fluisterende bomen zwaaien

En buigen al maar samen naar -

Naar ik - ik weet niet wat.

De avond waait aan mijn wangen -

Ik bijt de kleine bloemen stuk,

En voel een nameloos verlangen

Naar 'n vrucht - een vrouw - naar 'n groot geluk,

Naar - God ik weet niet wat!


Meiregen

Meiregen maakt dat ik groter word - groter word,
stroom aan mijn lijf, aan mijn hoofd.
Dat 'k als een boom uit de bossen groei en
niet als het gras aan de grond -
dat ik als een boom uit de bossen groei en
de wereld kan zien in het rond!

Meiregen maakt dat ik sterker word - sterker word,
stroom aan mijn lijf, aan mijn hart!
Dat 'k als een boom in het leven sta en
niet als een twijg op het veld
dat 'k als een boom in het leven sta en
vast bij der wereld geweld!

Meiregen maak dat ik wijzer word - wijzer word,
Stroom aan mijn lijf, aan mijn ziel!
Dat 'k als een boom in de hemel groei en
niet als een bloem in de wei -
dat 'k als een boom in de hemel groei en -
boven des levens getij!


De stilte

Min de stilte in uw wezen,

Zoek de stilte die bezielt,

Zij die alle stilte vrezen

Hebben nooit hun hart gelezen,

Hebben nooit geknield.

Draag uw kleine levenszegen

Naar het dromenloze land,

Lijk de golve' haar oogst bewegen -

Tot zij zachtjes breken tegen

Het doodstille strand.

Zie de boom de paden tooien

Rondom zijne stille voet,

Laat uw ziel zich zo ontplooien

En haar bloemen om zich strooien

Uit een vroom gemoed.

Leer u aan de stilte laven:

Waar het leven u geleidt -

Zij is uwe veil'ge haven,

Want zij is de grote gave

Van de Eeuwigheid.

Sluit de stilte in uw gaarde,

Wees in haar gelukkig kind:

Al wie ze aan haar schoot vergaarde -

Alle zaligen op aarde

Hebben haar bemind.


Moed

O zon gij komt mij weer genezen!

O geurenvolle zomerwind

Ik wil in u gelukkig wezen -

Een diep-gelukkig mensenkind!

Ik worstel in uw licht naar boven,

Ik stijg weer uit uw schaduwen,

Ik wil weer in mijzelf geloven,

Dat ik gezond - gezegend ben!

Zie 'k heb mijn hoofd weer opgeheven,

Ik wil een dappre kerel zijn,

Ik wil weer vechten met het leven

En lachen in de zonneschijn!

Zie, 'k heb de moed om niet te klagen,

Om iedre vreugd en iedre pijn

Glimlachend aan mijn hart te dragen: -

De moed om een blij mens te zijn!

De moed om zelf mijn lot te lezen,

Tot het mij dood van 't vechten vindt -

O zon! ik wil gelukkig wezen -

Een diep-gelukkig mensenkind!


Meisje

Meisje weet je wat ik -

wat ik zeggen wou -?

'k Wou je zeggen dat ik -

dat ik van je hou. -

En dan wou ik schatje -

dat je - nou dat jij -

Nou natuurlijk dat je -

dat je hield van mij. -

En dan wou 'k je als je -

als je van me houdt -

Zoenen in jouw halsje -

als je 't hebben woudt. -

En dan - nou dan dee ik -

dee ik 't overal -

En dan dee ik - nee ik -

dee ik niemendal! -

En dan - ach! dan zou ik -

zou ik 't nog een keer -

En dan - - ja dan wou ik -

wou ik toch nog meer -!