Test
Download document

BUDDINGH’, Cees



Natuurkunde

o, denkt men er zo over!’
zei het jongetje
dat de wet van newton gelezen had

en hij steeg als een leeuwerik

en de dampige najaarshemel

en geen sterveling op aarde

heeft hem ooit teruggezien



You get no bread with your one meat ball


uit een gestulpte kuip
uit een miesbos vol donkere wakken
sliep hij de ochtend in
een blote klaarwaterzwerver
een muitende buitelaar

het was zo mooi als een brand om hem heen
o zo lelijk als witte muizen
hij snurkte een gat in de nacht
en liet er een katje door komen
met eiwijze handschoenen aan

en ja daar begon de muziek
de westkust met al zijn chirurgen
kerfde hem open en dicht
langs de maan dreef zijn loden ballon

nu liet hij zich nooit meer alleen
nu was hij een klein stukje aarde
waar een eigenwijs wormpje door kroop
dat wist waar de appelen groeien.


De bozbezbozzel

De bozbezbozzel lijkt wat op
Een jenk, maar heeft een klein're kop.

Zijn poten staan steeds twee aan twee
Als eenmaal bij het stekelree.

Hij hinnikt als een maliepaard,
En als het sneeuwt heeft hij een staart.

Wanneer die staart zijn kop zou zijn,
Was hij precies een spieringzwijn.

En als hij zeven staarten had,
Een kossosale kolbakrat.

Nu lijkt hij nog het meeste op
Een jenk, maar met een klein're kop.


Het kokootje

Zwervend langs verborgen wegen

bij het melkwit licht der maan,

Kwam ik het kokootje tegen

Met zijn wollen wiebuis aan.

Het geklapper van zijn oren

Hield de weerwolf uit zijn slaap,

Maar ik vroeg hem onvervroren:

Is je vader nog een aap?

En je moeder nog een grote

Grijsgeblokte babiaan?

En dool jij door zeven sloten

Met je wollen wiebuis aan?

Het kokootje boog gelaten

Zijn met mos begroeide hoofd;

Wie zich op de wind verlaten

Worden door een kool gestoofd,

Sprak hij droef, een traan wegpinkend

Uit zijn ooghoek, rood en nat;

Dan verdween hij, zachtjes hinkend,

Langs een kersvers hazenpad.


De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind’ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!


Anders en eender

De schepen klieven zingend naar het zuiden

een gouden vogelkeel vonkt op de boeg

en laat een baken voor de zeemeermin.

Maar in het noorden hurken grauwe dwergen

in de doorrookte holen van de dag

en kerven tekens in verweerde steen.

Andere vuren vlammen op de bergen

maar door de dalen waait dezelfde as.