Test
Download document

ZETTERNAM, Eugeen

Mijnheer Luchtervelde

…..

Hij was de meester der fabriek, en kon de middelbare leeftijd hebben bereikt. Hoewel zijn gewaad zeer sierlijk was, scheen hij lelijk. Zijn gelaat was geel en gerimpeld, zijn voorhoofd ingezakt en tesaamgeplooid. De ogen verborgen zich diep onder zijn wenkbrauwbogen, en hun wit was vuil en met rode aderen doormarmerd. Op heel zijn verslenst gezicht mocht men gissen dat hij leed of geleden had aan die afgrijselijke ziekte, welke men de geheime pest der maatschappij zou mogen noemen.

Hij ging traagzaam voort, het woord richtend tot een deel der meisjes, welke daar tussen de jongens aan ’t kaarderen waren. Zij, die de natuur misdeeld had, werd beknord, maar die welke in schoonheid was opgegroeid, verkreeg van hem vriendelijke en vleiende woorden. Zelfs streelde hij er enige in de lenden, en die glimlachten dan als de slavinnen van een sultan. Zo doende naderde mijnheer Luchtervelde Sies De Craeyer, die geen oog van zijn molen had afgewend.

Misschien ontwaarde de heer op zijn gelaat sporen van bitter lijden, misschien bespeurde hij hoe loom de leden van de spinner waren, en hoe moeilijk zijn overspannen moed hem in beweging hield. Althans vroeg hij hem op een bijna vriendelijke toon:

- Hoe gaat het nu, Sies?

- Goed, mijnheer, zeer goed; - en De Craeyer hield zijn uitgetrokken mull-jenny stil.

- En met Mietje? Komt die nu niet meer werken?

- Ze is thuis nodig, mijnheer ….

- Ik zou nochtans haar loon vermeerderen.

- Gij hebt te veel goedheid. Maar daar ik nu kom spinnen moet zij thuis blijven om het noenmaal te bereiden. – hier dacht De Craeyer aan zijn verhongerd gezin, en zijn aangezicht trok zich tot wenen te samen.

- Zij heeft dan nergens arbeid gevonden?

- Men heeft haar niet aanvaard.- En Sies bezag zijn her, welke glimlachte alsof hij zeggen wilde dat hij zulks vermoedde.

- En met het kaske dat ik uw jongen heb te maken gegeven, - vervolgde mijnheer, - hoe staat het daar al mee? Is het haast voltrokken?

De spinner knikte en Luchtervelde ging, hem vriendelijk groetende, de deur uit. De Craeyer zag hem na: beken zweet liepen hem van het voorhoofd en zijn lippen beefden van verkropte spijt.

…..