Test
Download document

WADMAN, Anne


Ballade van de poètes maudits
Voor Tamme Tysker

De droom, eens onweerstaanbaar zacht,

Werd zo hardhandig omgebracht,

Dat wij ons daaraan nooit vergooien,

Maar schuw voor huis en liefdesnacht,

Als kroost van een vervloekt geslacht

Met liedjes langs de deuren schooien.

Wij zwerven rond door woest terrein

en voelen ons getrapt en klein,

Maar kunnen wij ’t niet langer harden

Dan zingen wij ons warm refrein

Tot troost voor wie verbitterd zijn,

Al zijn we zelf de meest gesarden.

Wij slepen naakt maar onvervaard,

Gehavend, schurftig, ruig van baard,

Ons ziek karkas langs ’s Heren goten.

En is ook dit ons niets meer waard –

We schurken huivrig rond de haard

Bij Frans Villon en zijn genoten.

Wij zweren trouw aan dood en drank;

Aan duivel, hel en zavelstank

Verdoen we toegewijd ons leven.

Maar dichten wij, o broze klank,

Dan spoelen we onze zielen blank

Met wat nog zuiver is gebleven.

Prins, vloek met dichterlijk genie

Ons, naast Villon en compagnie,

Als laatste van uw milde gunsten:

Maak ons een greintje poète maudit,

Ter ere van de poëzie,

De simpelste van alle kunsten.

(vertaling: Gerrit BORGERS)