Test
Download document

SPANDAW, Hajo


De Nederlandse taal

Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Wie God een Neêrlands harte gaf,
En zuiver Neêrlands bloed in de ad'ren,
Dat bruist voor de eer van 't vaderland,
Die zal dit erfgoed van zijn vad'ren
Waarderen als een heilig pand.

Ja, Neêrlands taal is een trezoor,
Welks schatten, met ondoofb're gloor,
De nagebuur in de ogen stralen;
Waarin de deugden, moed en kracht,
De blanke trouw en de eenvoud pralen
Van 't onverbasterd voorgeslacht.

Dit heiligdom van 't vaderland
Werd door uw zegenrijke hand,
o Hoofden! Vondels! ons ontsloten;
En heel een goudstroom, schitt'rend rijk,
Hebt gij voor Holland uitgegoten,
o Onnavolgb're Bilderdijk!

De glorie onzer heldeneeuw,
De moed van Neêrlands waterleeuw,
De glans van Neêrlands krijgsbanieren, -
't Blinkt all' voor ons, in volle praal;
Nog kraken Neêrlands eerlaurieren
In Neêrlands grootse heldentaal.

Zelfs in de zwarte gruwelnacht
Van schande, en vloek, en jammerklacht,
Vlood, voor een poos, het schriklijk duister:
Ja, Helmers zong... er rees een straal,
Een volle dag van licht en luister -
Dat was de zon van Neêrlands taal!

En nu - nu nacht en schand verdween;
Nu Neêrlands schildleeuw, als voorheen,
Met fierheid schudt de gouden manen;
Nu 's ad'laars klauw hem niet weerstaat,
En voor de glans van Neêrlands vanen
De maan van Mekka ondergaat;

Nu Neêrlands onbesmette Maagd
Weer schatting van de volken vraagt,
De zege aan onze standers snoerend';
Nu Neêrlands rijke en stoute taal,
Haar eigen glans ter tinne voerend',
Doet schitt'ren Neêrlands wapenpraal;

Nu zouden we, als een slavenstoet,
Versmadende eigen overvloed,
Ons met geleende lompen tooien?
En, op uitheemse klank verzot,
De mond naar vreemde tongval plooien?
En zijn der volken schimp en spot?

Neen! Neêrland staat zijn taal niet af!
Vloek tref' hem, die, verwijfd en laf,
Nog in het Frans gareel blijft stappen!
Wat bralt hij op de naam van VRIJ?
Wie vreemden slaafs poogt na te klappen,
Is rijp voor vreemde slavernij.


De mens

Wat is de mens? Zie hem in volle overvloed
Van aards geluk: zijn borst zal steeds onrustig zwoegen;
De toekomst, die hem vleit en zijn verbeelding voedt,
Vertoont nog hoger heil, belooft hem meer genoegen.
Zijn aanzien stijgt in top - zijn wens blijft onvoldaan;
Zijn roem, luidklinkend, heeft zijn eerzucht niet bevredigd;
Hij hijgt naar zinvermaak - de wellust lacht hem aan ...
En met een enkle teug heeft hij de kelk geledigd.
Hij streeft naar nieuw genot - en walgt, als hij 't ontvangt;
Hij dorst naar schatten - geeuwt, wanneer ze 't oog verblinden;
Hij hoopt en droomt en zwoegt en reikhalst en verlangt ...
Totdat hij in een groeve in 't einde de rust mag vinden.
Ontneem hem hoop en droom, begoocheling en schijn,
En hij houdt op een mens te zijn!