Test
Download document

HOLVOET-HANSSEN, Peter


De Tuin der Poëten

de sterrende nachten

gevallen op aarde

het vuur dat blijft smeulen

‘wie schiet nu op kinderen’

bed van zwaluwstaarten

de paarden die zwijgen

de witte de zwarte

de zwarte met witte

vegen en stippen

je ezeltjesogen

wil ze niet doven

de sneeuwverlichte nacht

schaduw de vlokken

of sta stil als een cactus

bij de baard van Mozes

geen kikkers die kwaken

geen huizen met daken

geen sterren die waken

de zwervers verdreven

toen engelen zwegen

de wind draagt de wolken

de wolken de regen

schuil onder de varens

bladspiegel de vijver

kruid tegen bloedzuigers

en de wilde citroen

in de Tuin der Poëten


De tovenaar komt

Schilder een zuiders terras in Marseille of zo

je betrekt een luizige kamer in de Rue de Mazenod

eet en drink als een vrolijke Frans met een imaginaire kompaan

kijk op, wrijf je ogen uit: geen rederijkse rijkrijmerij

Hollander, de Vliegende Hollander legt aan

Een seigneur komt van de loopplank in fraai mantelpak

zijn koffer stapt parmantig naast zijn baasje

het bestek op tafel springt in de houding op La Marseillaise

en je vriend verslikt zich in zijn bouillabaisse

jij wist dat de tovenaar zou komen

Zijn paleis is als je verbeelding zo groot, zie dat voor ogen

het troont in de romige wolken als Nephelokokkugia

slavinnen likken er zijn toverstaf, hij mikt parels in hun navels

stoot zijn stormrammetje tussen de gatskaken van de goeroe

gooit hem in een kerker zo donker dat zelfs de verlichte siddert

Als de tovenaar komt

Jij vreest zijn toorn niet - bof, je had zeker prijs gehad

meer nog, je sodemietert het servies voor zijn voeten

giet zijn laarzen vol pastis voor hij ‘sim...’ kan zeggen

je zet hem voor een lachspiegel en schildert zijn portret

minzaam krult hij zijn mondhoeken, vindt het ‘impressionnant’

Je simuleert een zonsondergang, heel impressionistisch

tot hij knikkebolt - pak je schildersezel voor hij ontwaakt

want als hij opvliegt, lopen zeepaarden aan de grond

als zijn ballen jeuken, neuken teringlijders zich gezond

roep je hem aan, zal het in Keulen donderen

De tovenaar komt


Solferino

Het steeg op vanuit de bodem van de oceaan

tot de ijskap op Europa smolt en brak, het vloog

langs de grootste gruwel naar de jongste jammerkreet

uit de 25000 kelen van Béziers

solidair met de katharen, over brandstapels

op een Flammenwerfer dansend met een bajonet

met de 15-inch houwitsers houwend op de kou

boven Brandhoek, Ieper, Hellblast Corner, no-man's-land

zeeg naast G.E. Ellison, lansier die 't laatste viel

mengde zich in het geslachtsverkeer en wortelde

in vergeten graven - Solferino, keer op keer


Arbre à Palabres
…..
uit eeuwig zijn de dingen die wij zingen die wij zingen

de spinnenpoten trillen van de dingen die wij doen

uit eeuwig rijst de zee, het is haar huid die wij beminnen

waarom verwaait het mensenbroed het soezen rond de noen

en zelfs het roezen van een zoen, zo winden wij hun zinnen

als witte wasem in hun kruin; wij spannen hen de spier
…..


Liedje voor een kleine reus

schrijnt het bloed in elke cel

zing dan in het raamkozijn

maanwit paardje in de zon

rozenblaadjes, Piet Fluwijn

strooi ze in de regenton

maakt je hart een zevensprong

heeft je hoofd geen pannendak

wortels zijn van watersap

tater je stil en draai maar

aan het wiel, mijn Polleke

onderschat de slakken niet

poezenvlokjes, het is sneeuw

kijk een vogel wordt een vis

groot verdwalen, duivelszee

boot wiegt goud een donderkop


Voor Andromeda

1

Zeeën gaan tekeer, op het land geen bravoure meer

de 7 zichten zien, de 18 werken der onsterfelijkheid verrichten

met alle goede krachten uitkomst niet verwachten

de geslepen dynamiek der tuimelaars betrachten

overgevoelig wordt ijskoud - betaal de tumor in de boezem

van de zee, kromming van de sinusoïde, spiraal van Baäl

ik wieg je zoals golven van lucht en water vogels en vissen

2

Zij geeft mijn vinnen vleugels, op een stille wenk

van de golfslag zwem ik tot bij haar: bij

het klotsen ligt zij op de rotsen, lokt mij

met een oehoe-gebaar, zwijgt en dirigeert de zonsondergang

schitterglans op het water, gloeinachten

de afstand overbruggen terwijl haar teken in het uitspansel hangt

3

Zonder praal in een gapend gat of een zeemansgraf: dat is voor

mij het einde - ga eeuwig met mij op vakantie

graven naar betreurden, onze moeders met hun geur van moeder

vaders als kraaien of zij die tijdens hun leven al geen leven

meer hadden: met zwart verenkleed

Koorzang:

Grijpen tentakels naar je hoofd, word je van je vrijheid beroofd

SPRING DAN OP MIJN ROS VAN GALAPAGOS



ROZENBLOEDJE

Roos, wees gegroet ontluik in tegenspoed

geen boom meer over die nog tuurt en wolkendoorn verstikt de buurt

roos roosje bloed alles komt toch goed

kind sterft een eeuwigheid te vroeg vader verdrinkt zich in de kroeg

roos roosje bloed alles komt toch goed

al word je in een vaas gezet moeder komt nooit meer uit het bed

Roos Roosje bloedt nooit komt iets nog goed

de tijd strikt ons met een list dromen rotten uit de kist

Frau Rosenblut wij blazen in het roet kommt alles wieder - gut

komt het ooit weer goed

weet het niet, mijn bloed vraag het aan de doorn die de roos behoedt



Santander
…..
De iele clown die in mij woonde, dacht

hij sloopt mijn lijf en komt zijn nest niet uit

hij keek door mijn gezicht met laatste kracht

daarbuiten liep je rond en binnen brak een ruit

En lichtquanten, gezanten van het spel

van anti- naar materie, kwamen vrij

kristalliseerden in mijn hoofd – mijn vel

verwend door jou, mijn vossenlekkernij

…..