Test
Download document

DANSER, J.G.


Grijs landschap

Het landschap ligt, een droom zo onbewogen,
Door 't ijle floers van dampen overtogen.
De dag is stil en fijne regen leekt
Wiens zoete ruising vage treurnis kweekt.

De bomen staan ontloverd en gebogen,
Hun zwarte takken grillig voor de hoge
En strakke hemel die, tot grijs verbleekt,
Geen milde zon of troost van blauwte breekt.

En hier en daar scheemren de lage daken,
Wier heerlijk rood fel en ondoofbaar praalt,
Als kleurge vlekken in het grauw verdwaald.

En zacht: het doet een mijmering ontwaken
Naar zoelte en jeugdig groen en broze fleur
En wuivend gras en tere bloesemgeur.


Het naakte meisje

Zij ligt, zo rijk in haar ontroerend naakt,

Zo argeloos, ontdaan van alle kleren:

Een kind niet radend wat het doet ontberen

En toch zo schoon, zo lieflijk en volmaakt.

Stil, als een bloem in schaduwen ontwaakt,

Wier broosheid zelfs het zonnelicht zou deren,

Bloeit haar lichaam: mild-rose voor de tere

En diepe grond die somberkleurig vlaakt.

Vreemd: haar figuur zo jong en fijn-gebouwd

Doet niet de wilde hartstochten opbruisen

Van wie haar zoele heerlijkheid aanschouwt.

Doch voert zijn denken naar een land van droom

Waar langs een weg de hoge bomen ruisen

En de avondlucht vervuld is met aroom.