Test
Download document

DE BLOCK, Lut


Zonder titel

Er slaapt een man in huis. Soms noem ik hem de mijne.
Hij neemt fauteuil en ether in, hij snijdt mijn adem af.
Dan sluip ik nors de kamer uit, ze werd te veel de zijne.
Te veel zijn lucht, zijn bloed, zijn brood dat ik wel eten moet.
De hand die ik dan buit en die me steeds weer voedt.

En dat ik zwaarder werd van heupen met de jaren.
Dat is het kind van hem waarop ik eeuwen broed
en wellicht nooit zal baren. Alleen de man zuigt zog,
hij sloeg de diepte wond. Hij scherpt mijn bloedbaan aan
en zet mijn angels klem. Van alle huizen woon ik liefst in hem.


Ik heb je niet begraven vader

Ik heb je niet begraven vader,

ik sleep je jaren op mijn rug.


Toen je stierf, vluchtte ik weg in het ritueel

van de in leven houdende herinnering.

Ik dacht: zolang er bloed is

op de keukenvloer

is leven mogelijk.


En toen de kist er was en heerlijk geurde

naar zwart en smart en veel familieleden

wist ik ze leeg of vol met stenen.

Want jij was weg,

je hield ons allen voor de gek.


En later verzon ik allerlei verhalen.

Jij was ontvoerd, beroofd van al je zinnen...

Maar eens zou je verschijnen,

mij eindelijk bevrijden, want


ik heb je niet begraven vader.

Ik sleep je jaren op mijn rug



Zeug

Als de worp van je vlees

is verwijderd, je spenen verdorren,

je gekrijs werd gesnoerd en jij

zonder morren van fokker

naar meststal verdreven,


Pas dan op voor het flemen

van hem die je houdt

om het vlees, het gebraad,

je gebroed en je bloed,

het genot in je zenen.


Slik dan liever zijn zaad en zijn voer

maar lik nooit zijn hielen, verwar niet

de drift in zijn bloed met de klop in je venen,

de bronst van de beer met de geur van de dood,

met de vlijm die je spoedig zal kelen.