Test
Download document

DE GENESTET, P.A.


Boutade

O land van mest en mist, van vuile, koude regen,

Doorsijperd stukske grond, vol kille dauw en damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen!

Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp.

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn,

Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,

Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vree.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee


Onrust

Ik ben geen plant: ik wil geen rust

’k Ben jong – en van mijn tijd,

Brenge ieder uur mij leed en lust

En telkens nieuwe strijd!

Als ’t plan wordt een daad,

Zonder raad of beraad,

Als ik liefheb of haat,

Als ik schrei, als ik lach

Wel honderd malen iedren dag,

Dan ben ’k ’t leven mij bewust,

Dan leef ik eerst naar hartelust,

Al wat ik leven mag!



Dolce far niente


Ik lig in Hollands dierbaar duin,

Zo zacht in ’t lauwe zand,

En naast mij zit een blozend kind,

Een dochter van het strand.


Een zilvren wolkje speelt en drijft

Aan ’s Hemels blauwe boog;

Een zoele vrede straalt en daalt

Op aarde van omhoog.


Het zilvren wolkje lacht en lokt,

Als riep het:`o ga mee,

Reis met mij naar een beter land,

Ver over zee bij zee!


Zeg knaap, indien ge eens vleuglen hadt,

Zeg vloodt gij de aarde niet?

’t Is heerlijk in dees vrije lucht,

In ’t grensloos wolkgebied.’


Maar ik – ik lig in Hollands duin,

Zo goed in ’t lauwe zand,

En naast mij zit een blozend kind,

Een aardig kind van ’t strand…


Neen, schoon ik, wolkje, met u mee

Mocht vliên naar ’t schoonste land…

’k Ben nu te lui, ’k heb nu te lief,

’k Bleef liggen hier in ’t zand.



Liefde

Die ik het meest heb liefgehad, –

’t Was niet de slanke bruid, met wie ik in ’t zoeter leven

Mocht dwalen op het duin en dromen in de dreven,

Wier hand mij leidde op ’t rozenpad;


’t Was niet de jonge en tedere vrouw,

Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,

Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,

Met al den rijkdom harer trouw!


„Zo was ’t de moeder van uw kroost,

Die u, gelukkige, voor ’t offer veler smarte,

Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van ’t harte,

Des levens liefelijkste troost?”


Neen! – die ik ’t meest heb liefgehad,

Dat was mijn kranke; ’t was de moede, de uitgeteerde,

Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,

Toen ’k wenend aan haar sponde zat.