Test
Download document

VAN BEAUMONT, Simon


Waartoe te gaan door verre Landen dwalen

Waar toe, te gaan door verre landen dwalen,

Verslijten tijd, geld-kwisten, breken wind?

Die zander moeit' en kost in Holland vind

Dat nodig is, wat hoeft hij 't verr' te halen?

Als men al heeft geleerd de taal der Walen,

Hoe Engels praat, of Spaans, een vrouw of kind,

En dat men thuis gekomen wel verzint

Weet men in Duytsch zich nauwlijks te vertalen.

Een wulps gelaat, een vals bedekt gemoed,

Hoererens lust, een dert'le kwispel-voet,

Een tong gewend tot vloek en laster-reden,

Zijn het sieraad dat Napels, dat Parijs,

Dat Rome geeft. Hollander, zijt gij wijs,

Blijft thuis, leert wel 's Lands-recht, gebruik, en zeden.


Gij zijt wel proper in al uw dingen

Gij zijt wel proper in al uw dingen

Proper in 't spreken, proper in ’t zingen

Proper van aanzicht, voeten en handen,

Proper van ogen, neus, en tanden.

Proper van kleren, kousen, en kragen,

Proper van riem, end' ommeslagen,

Proper van schoenen, linten en kanten,

Proper van mantel, hoed en wanten

Proper van haar, van baard, en knevels,

Proper van sporen en van stevels*,

Proper te paard, en proper op schaatsen

Proper in ‘t kloven, proper in ‘t kaatsen

Proper in ‘t wandelen over straten

Proper in al uw doen en laten

De hand in zij, als een koperen pot

Voorwaar gij zijt een propere zot.


* stevels = ruiterlaarzen

(Bewerking: Z. DE MEESTER-)