Test
Download document

VAN LOOY, Jacobus

Fabrieksrook

Een vale slang sluipt uit die hellepoort,

Zij zwelt haar flanken op met dof gesteen,

Zij schuift haar gore kronkels langzaam voort,

Wijl nieuwe kronkels baart die mond van steen.

Met duizend tongen speelt zij om zich heen,

Die lekken 't blauw azuur dat zwijgend gloort,

En de arme ster die nog zo kort maar scheen,

Wordt in de zwadder van haar aêm gesmoord.

En alles om mij heen wordt dof en grauw...

Toch blijf ik droevig nog een wijle staan,

Hopende dat die ster weêr schijnen zou.

Zo zie ik wat mij hoog en heilig is,

Omwarreld door der Leugen duisternis,

En 'k moet bij eigen licht door 't leven gaan.