Test
Download document

DE PILLECYN, Filip



De soldaat Johan

…..
Weinige ogenblikken alvorens de hertog Karel de Stoute neergeslagen werd op het veld bij Nancy, viel de soldaat Johan. Hij had de benden, die met hem waren opgerukt, links van hem zien wegvluchten; de paarden steigerend doorheen het voetvolk in het wasem van hun zweet. Hij vocht zonder woede of vrees en werd omgelopen tegen de grond; hij voelde hoe zijn handen uitgleden over de aarde die ontdooid was onder het getrappel van de benden. Hij lag met zijn gezicht tegen de grond en alles werd dof boven hem.

Toen hij opzag was het donker. Rondom hem zag hij de stijve gestalten van mannen die gestorven waren. Hij richtte zich op, ijl in het hoofd en in de buik. In de verte hoorde hij doodskreten en aan de andere zijde de zware rit van paarden. Hij kroop recht en wist dat hij leven zou.

…..


Mensen achter de dijk

…..
In de hoek tussen Durme en Schelde ligt een kleine hofstee. Anders zijn daar niet dan kleine hoevetjes en arbeiderswoningen. Zeer klein zijn deze laatste: een kamer voor het leven overdag, een afgeschutte zoldering voor 's nachts. De mensen zijn arm, zoals hun ouders vóór hen waren maar zij leven zonder naar rijkdom te verlangen, zij kunnen zich moeilijk voorstellen dat het anders zou zijn dan het is. En indien zij een wrokkig woord uitspreken tegen de rijke mensen van het dorp, dan is dat niet zozeer omdat zij de rijkdom misgunnen aan hen die erin geboren zijn dan wel omdat zij niet kunnen aannemen dat een rijke mens dingen doet die ze bij een arme gemeen vinden.

Het is er zoals in het begin der dagen, in die hoek tussen stroom en rivier. Een schoonheid waarnaar men steeds verlangt als men ze niet bezit; zij is in mijn leven gegroeid en hoe ouder ik word hoe vaster ik het beeld in mij sluit van groen en water, zon en lis, en het geheimzinnige van lage boompjes tussen de sloten. 's Zondags, in de zomer, komt de burgerij er wandelen en rustige renteniertjes drinken dan een profijtig pintje bier in een van de twee herbergen waar in de week zelden iemand komt. Maar op de werkdagen zijn aarde en licht ongestoord aan zichzelf en op de dijken mummelt hier en daar een geit en kijkt met weemoedige ogen naar iets wat zij alleen ziet.

Ik ben acht jaar en groot voor mijn leeftijd en ik leer vlijtig in de school, die een half uur ver is. De onderpastoor die katechismus geeft is over mij tevreden, dat hoort ook zo, zegt moeder, want over een goei twee jaar moet ik mijn eerste kommunie doen. Vader zegt van mij: ‘daar steekt geen boer in’, en dan glimlacht moeder en tracht mijn haar glad te leggen dat blond en weerborstelig is. En de kinderen uit de buurt zijn allemaal mijn vrienden; heel veel zijn er niet. Het is een klein, verlaten gehucht en de huizen staan er niet opeen.

Maar het is ook goed alleen te zijn. Water en groen zijn gezelschap en het is geen dromen als men ligt onder de notelaar en ziet hoe aan de ene zijde de Durme naar de Schelde toe stroomt en aan de andere zijde de weiden met het stevige, brede gras vol gele bloemen staan. En al die hoven waar alles wild dooreengroeit rondom de mispelbomen; als men over de sloot komt waar het water altijd hoog en stil staat, is men in een wereld vol benauwde schoonheid. Het gonst er van het onzichtbare leven van bijen en vogels en het is alsof de struiken en het gras in nooit onderbroken gefluister zijn. Licht en warmte doordringen nooit helemaal de verborgenheden van deze wildernis tussen de sloten. Steeds is er een sterke geur van modder en het groen riekt er met dezelfde felheid als afgesneden en vertrappeld lis. Alleen wanneer de mispels worden geplukt lopen er mensen in. Daarna blijft voor maanden alles in stille ongeschondenheid en groeit er voor zichzelf.

Soms zit er een visser aan een van de twee putten die door een wegeltje gescheiden zijn waar geen twee mensen naast elkaar kunnen gaan. Zij zijn effen en diep, die putten. Leander, de oude grafmaker, zegt dat zij zo diep zijn dat de kerktoren van Hamme er niet bovenuit zou steken. Ik blijf soms staan op het wegeltje, tussen de twee putten, om het angstwekkende te ondergaan van deze diepten. Aan de verste zijde, waar geen mens komt, ligt het water vol grote, platte blaren, waar in het seizoen bloemen staan zoals er nergens zijn.

En achter dat alles liggen de dijken. Zij zenden naar de weiden en akkers toe hun uitlopers van lis en planten waaruit het water en de wind ademen, en het gras dat hoog en sterk groeit, loopt naar hen toe. De lucht is er zwaar en scherp tevens, zoals nergens elders, geur van lis en vochtig gras en de bijtende warmte die uitgaat an de blaren der notelaars. Als ge die door uw handen wrijft dringt de groene, vlugge reuk u prikkelend door het lichaam. En wanneer de noten nog vol snot zitten in de groene sloester, komen mannen met scherpe ladders en plukken ze voor Mijnheer Hippoliet. In grote vaten worden zij naar Engeland gestuurd. De weinige vruchten die blijven staan en rijp worden, verscholen in 't gebladerte, worden afgekluppeld door roepende en tierende jongens. Daarna wordt het weer stil op de dijken.

Een eindje verder, in een gewarrel van slijk en riet komen Durme en Schelde samen en stromen naar het Noorden. Daar is het alsof een land ophoudt, mijn land in de hoek van twee waters. Er is niets dan wind en water en riet met hoge pluimen waar in de zomerhitte de karekiet slaperig zingt. Gij kunt er denken aan de zee, de wolken zijn er soms zo groot dat zij een heel dorp omvatten en de wind komt er van zeer ver. Het water dat in vlugge gulpen uit de Durme komt wordt ineens opgenomen in de brede vloed van de Schelde; het is alsof het stilstaat vooraleer in de stroming te verdwijnen. En in de herfst stijgen scharen vogels uit de zompen en slaan zich met donker gekrijs tussen de wolken en het water naar Klein-Brabant toe. over de rivier.

…..

Hij was een schone, grote jongen, Theofiel. Hij was veerman en woonde met zijn moeder aan de Tielroodse kant van de Durme. Van zonsopgang tot zonsondergang zette hij over en tussendoor maakte hij manden. En in de herberg van het veer werd oud bier van Elversele geschonken, een beetje zerp met een kloeke achtersmaak. Bij zomerdag werd soms tot daar gewandeld en de mensen zaten er genoeglijk onder de notelaar, vlak naast de aanleg waar de roeiboot in de spoeling van het water onrustig haar ketting door het slijk schuurde.

- Theofiel is een goeie jongen, zei moeder, en Stinus mag blij zijn dat hij om zijn dochter komt.

…..

Zijn Lieske was een gezond, struis meisje. Wonder is het hoe zulke sterke, mollige kinderen uit de armoede kunnen geboren worden. In den beginne had Theofiel mij gezegd: ‘Henri, manneke, zeg eens met mijn complimenten een schone goeiendag aan Lieske van Stinus’. En dan had Lieske luidop gelachen. Dat gebeurde wel een dozijn keren en toen zei ze eens: ‘Zeg maar aan Theofiel dat hij het zelf kan komen zeggen’. De avond waarop ik hem dat zei, wiste de veerman het zweet van zijn voorhoofd en keek mij gelukkig aan. Sedertdien werd ik zeer vertrouwd met hem. En op namiddagen, als de zon schitterde over de Durme en de dijken in zwart-groene glans onder de notelaars schemerden, mocht ik met hem overzetten. Ik ging dan in de werkstal zitten waar hij in de tussenpozen manden vlocht, en zag hoe hij de taaie wissen plooide en de dikke vlechten met de steel van de priem vaster ineenklopte. Er was een wilde geur van schors en groene wijmen, de vettige lucht van de schorren waar zij bij hoge tij in het overweldigende water hadden staan wiegelen.

…..


DE PILLECYN, Filip & BORGINON, Hendrik



Vlaanderen’s dageraad aan de IJzer

…..
Het unitaristisch stelsel dient vervangen te worden door de toepassing van het federalistisch beginsel. Ons programma is geen onrijpe vrucht. Het verschil tussen ons en Vrij België ligt in het feit dat de verdieping van de Vlaamse gedachte bij ons in een sneller tempo geschied is dan bij hen. Tegenover de Raad van Vlaanderen trekken wij ook de nodige streep: zij staan in voor hun daden en wij voor de onze. Wij willen niet oordelen voor wij vollediger ingelicht zijn, maar wij kunnen niet dulden dat men schimpend spreekt over Vlamingen waarvoor een heel leven van integriteit getuigt: wij leggen de plechtige belofte af niet te zullen dulden dat er een dreigende hand naar hen wordt uitgestoken. Wij kunnen de regering van Havere ons vertrouwen niet schenken en bezweren de ministers Helleputte en Van de Vyvere ontslag te nemen. Wij zullen geen vrede aanvaarden die ons aan welke Mogendheid ook zou binden. Wij zijn vast besloten onze strijd te houden buiten de bekommernissen van de partijpolitiek

…..