Test
Download document

VERCNOCKE, Ferdinand



Bruidsnacht


Zij is naar 't duin gegaan,

haar bruidskleed had zij aan

Baren gaan heen en weer

sterren staan klaar.


Eenzaam in doods gebied

ontwaakt hij en hoort haar lied.

Baren gaan heen en weer,

Donker is ’t tij.


Hij kwam uit zee naar ’t strand,

Hij nam haar bij de hand.

Baren gaan heen en weer,

Sterren staan klaar.


Donker duin,

donker duin,

sterren staan helder klaar.

Zij rusten eeuwig

bij elkaar.


Toen in dat geurend kruid

werd zij 'n gekroonde bruid.

Baren gaan heen en weer,

donker is ’t tij.


Hij nam haar met zich mee

terug naar de brandende zee.

Baren gaan heen en weer,

Sterren staan klaar.


Als de winden vrij

De koekoek roept, de merel fluit
De mus tsjilpt opgetogen
Sa jongen wipt de nesten uit
De velden ingevlogen

Als de winden vrij, alliho
Zo zwerven wij alliho
Wij treden blij naar buiten
Al zingend en al fluitend

De dag zit in de klaren oost
Het zongelaat gaat blaken
En elke prille wang die bloost
Zal zonnezoenen smaken

Als de winden vrij, alliho….

Wij zien de zee, wij zien de stroom
Zien wouden en landouwen
Wij vinden er een vrije boom
Om ons een nest te bouwen

Als de winden vrij, alliho….


Ask en Embla
…..
Zij ademde. Zij

ademde rustiger en rustiger,

en door haar leden golfden

lange deiningen. Een lome knie

ontspande ’t been, het andere

schuw strelend; ‘t hoofd

wendde moe geloken ogen

weg en weder,

Zwaar van dromen,

diep in slaap. Toen

greep de hand behaaglijk

in ’t ijle; de wimpers, blond en blijde,

trilden, beide ineens ontsluitend,

- zilvergrijs als morgenmist –

de blik. Ogen wijdopen,

roerloos in de lauwe middagstilte

Staarde zij, zacht ademend,

eerste vrouw, maagdelijke

mensenmoeder Embla.

En zij rees op, schroomvolle Embla,

rijzig en rank, in ’t lange

waaien van zandwitte haar,

onzeker, zwaar nog van

bewusteloze nacht,
…..
Luisterde hij?

Hij dronk met diepe teug

de zoute wind: “Hoor”,

zegde hij, “alles spreekt,

hoor, alles zingt: wij horen

wind en water, horen alles,

wij, spreken in ons.

Zie, alles roept; de wolk

De vleugelloze wind, de

vlakte, des morgens, het dier

te land en op de wiek; de zee

steigert, en roept: nergens

is stilte, overal is drang,

groei in de duisternis: kamp

Is overal. Vrouw,

alle verten
…..


De jutter *


Ballade


De nacht is zwoel, de nacht is zwart,

groen vlamt de lauwe vloed :

de jutter in zijn schuine vlet,

de jutter zwoegt aan ’t druipend net,

hij grijnst: de vangst is goed.


En schuiner, schuiner helt de boot,

in ’t water spant de tros ;

hij windt en windt, en kent geen angst,

zwaar in zijn vingeren weegt de vangst :

de jutter laat niet los.


Zo barst het net, de jutter staart,

de boot deinst met een sprong :

daar kronkelt in een groenig licht

met lekend haar en bleek gezicht,

een meermin glimmend jong.


Zij spartelt schuw, zij zoekt de boord,

hij grijpt verbeten toe ;

klemt in zijn vuist een vochte arm,

haar vlees is week, de hand is warm…

Zij staroogt, spartlensmoe.


Zijn arm omsluit haar glanzend lijf,

hij gluurt haar hijgend aan :

“o Jutter, zucht zij, laat mij vrij,

o werp de meermin overzij

of ’t mocht jou slecht vergaan…”


Hij luistert niet, hij hoort het niet,

de boot zwalkt schuimend rond ;

hij bukt en buigt in geile dorst,

hij rukt haar bevend aan zijn borst

en kust haar op de mond.


Haar gladde lijf ontglipt zijn greep,

zij plonst met groene vlam ;

de jutter hoort hoe in de nacht

de meermin wild en wonnig ** lacht,

en ligt op dek als lam.


De nacht is zwoel, de nacht is zwart,

de deining gloeit en brandt;

en langzaam, langzaam zinkt de schuit,

de jutter vloekt zijn waterbruid,

zwemt zwijmelend aan land.


Nu doolt hij stom de vloedlijn langs,

bij dag doch meer bij nacht ;

dan hoort hij plonzend in de vloed

de meermin die in groene gloed

zo wild en wonnig lacht.

* jutter = hier: kustvisser

** wonnig = verrukkelijk