Test
Download document

VAN DEN BURG, H.


Aan de navorsers der bovennatuurlijke dingen

‘k Weet van ’t Beginsel niets, en zal van ’t Eind niets zien:

‘k Weet niet hoe ’t al bestaat, noch waarom de dingen,

Hier vluchten van elkaar, daar in elkander dringen;

‘k Weet d’oorzaak niet van ’t minst, dat ‘k daaglijks zie geschiên.

Weet gij zo weinig Mens, en poogt uw Brein te weten

Wat god is? Da’s de Zee uitdrinken, d’Aarde opeten.


Zang

Ach! wat behaagt het Fluitespel,

Mijn hart en jonge zinnen,

Ik heb een aardig jong gezel,

Die daarom is te minnen,

Ik bemin hem, ik beken 't,

Allenig om zijn Instrument,

Ik nam hem tot knecht, alleen,

Om dat hij speelt zo ongemeen.

Wanneer ik wens hij vrolijk speelt,

Kus ik hem onder 't spelen:

Ik bid, dat gij u eens verbeeldt,

Of 't spel hem kan vervelen?

Ik bemin hem, …

Zijn Fluitje is schoon, en ongemeen,

Daar weet ik van te spreken;

Zulks, ik hem mijn koker leen,

Op dat het niet mocht breken.

Ik bemin hem, …

Ik vond nooit, waar ik zocht, een knecht,

Die zo lang weet te spelen:

Die zo in 't speel is afgerecht,

En zonder te vervelen.

Ik bemin hem, …

Gij Vrijsters, die het spel bemint,

Met mij daar toe genegen;

Maak, dat gij ook zo’n Speelknecht vindt,

Die nimmer is verlegen,

Dien u van zijn Instrument,

Ik wed je 'er lichtlijk aan gewent;

Want, ik nam mij jonge guit,

Allenig, om zijn schone Fluit.