Test
Download document

VERHOEVEN, Nico


Onhoorbaar
…..
De kleine rots waarop de degen splijt,

de groene haag voor zij geschoren wordt,

het wachtend huis bij dageraad en dauw:

de vogel kan er flitsen en de muis

vindt er behagen. De trompetten doven.

Een stoel wordt aan de tafel aangeschoven.

Het is zo stil. Onhoorbaar volle vaten.
…..


Als ik het tijd acht en de lange benen spreid

Als ik het tijd acht en de lange benen spreid,

gloort aan het eind der fuik mijn fel scharlaken mondje,

geruggesteund door 't vastberaden kontje,

dat gulzig de gevangen buit verbeidt.

De prooi verschalkt, gaat mijn begerig lijf

als water golven, stromen kolken.

Het levenssap wordt vaardig uitgemolken

al houdt men zich in angst en beven stijf.

Na storm spoelt aan de vloedlijn van de zee

gebroken trossen, wier en plestik mee.

Wat ik terugstoot blijkt een schamel wrak:

de mast gebroken, een gescheurde zak.

Tel en hertel het aantal uwer ballen,

de zee deint na in eindeloos welgevallen.


Het begin

Een toegesneeuwde mond, een toegevroren stilte

En noem dit het begin dat in zichzelve waakt

Vraag het aan de heuvels niet of zij de dalen groeten

want nog geen ritme heeft hun wezen aangeraakt

Zij ademen zoals alleen het water ademt

Als alles tussen bron en zee vergeten is

En noem dit het getij der redeloze wieren

Maar schend hun wijsheid niet die nog geen weten is

En vraag het rijzend groen niet of het dag gaat worden

want dat heeft voor de dauw de dag al ingehaald

Met toegesneeuwde mond en toegevroren stilte

Is rood en rond en rijpt het eerste woord vertaald.