Test
Download document

TIMMERMANS, Felix


De herfst blaast op de horen

De Herfst blaast op de horen
en ’t wierookt in het hout ;
de vruchten gloren.
De stilten weven gobelijnen
van gouddraad over ’t woud,
met reeën, die verbaasd verschijnen
uit varens en frambozenhout,
en sierlijk weer verdwijnen …
De schoonheid droomt van boom tot boom,
doch alle schoonheid zal verdwijnen,
want alle schoonheid is slechts droom,
maar Gij zijt d’ Eeuwigheid !
Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
en zegen ook zijn vruchten.
Een ganzendriehoek in de luchten ;
nu komt de wintertijd.
Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
Ik ben bereid.


De kern van alle dingen

De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet.


De dauwdrop

God rolt de zonnen door Zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme
weerspiegel ik het Al.
Ik hoor de sferen zoemen.
Gans' t sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

' t Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren,
in 't licht vergaan,
in U ik word herboren!


Met U zijn er geen verten meer

Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.
Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!
Hoe kan het zo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!


De profundis

De Profundis, uit de gronden
van mijn arme, donkre ziel,
spijts vervuld van kwaad en zonde,
en ik immer keer op keer
in het boze weder viel,
roep ik toch op U, o Heer!
'k Zocht U achter d' hemelrondten,
in der sterren harmonij,
in profeten, in 't doorgronden
en in 't zoeken
wat de boeken
en de wijten ons verkonden.
'k Zocht U altijd buiten mij,
tot het leven mij verwondde,
en ik U, o zaalge stonde,
in mij zelve heb gevonden!


Met rood en blauw op gouden grond

Met rood en blauw op gouden grond

maal ik mijn englen en Madonen,

en wat men van ons Heer verkondt;

'k Meng er nog wat groen en purper bij

voor 't loof en Gods doorboorde zij.

Een droom van vleuglengeur, en kronen

op fijne vingren, ranke tronen...

'k Laat d'aarde over aan haar lot,

ik droom uiteen in mijn ikonen,

dan word ik geest, ik groei in God,

de Hemel druipt over zijn randen!

Maar d'uren gaan, de dag snelt heen

en neemt de borstels uit mijn handen,

en heel mijn weelde spat uiteen.

Ik sta weer moederziel alleen,

een arme mens in zak en asse,

die angstig op zijn ziel moet passen,

zo wordt zij door de stof verdwaasd.

Hoe kan een mens zo in elkander steken?

Ik ben de stenen pijp, die ieder uur kan breken

en elke dag voor U een nieuwe zeepbel blaast.


't Gebergt ligt in de nacht verborgen

't Gebergt ligt in de nacht verborgen

maar d'hoogste toppen zijn verlicht;

Zij zien het worden van de morgen

in 't aangezicht.

Zo glinstren de kristallen tinnen

van mijne ziel in Gods gelaat,

terwijl zij zelf in de nacht der zinnen

verdronken staat.

En wijl zij smacht naar 't eeuwig flonkren

zuigt zij zich vast aan d'ijdelheid.

En angstig tussen licht en donk'ren

vergaat mijn tijd.

O Heer, laat mij het nog beleven

dat Uw genadig morgengoud

door gans mijn ziele wordt geweven,

want ik word oud.


Hoe loopt de weg door de woestijn?

Hoe loopt de weg door de woestijn

naar Uw Beloofde Landen?

Er is veel dorst, er is veel pijn,

maar weinig troost voorhanden.

Wij kwamen in 't begin der wegen

de kloeke druivendragers tegen,

en vroegen toen reeds: Is 't nog ver ?

Zij wezen met kort duimgebaar,

alsof het nog een boogscheut waar,

naar d' Avondster.

En 't land werd niet gevonden.

Maar 't heimwee blijft, spijts twijfel, nood

en ijdelheid en zonde.

Begint het soms in 't aanschijn van de dood?

Men zegt: Wie God wil zien moet sterven...

Of loopt de weg doorheen de grot

van onze ziel, waarin Gij waakt, mijn God?

Dan valt de schone hoop in scherven,

want dan begint de weg van her...

Dan was het nooit zo na, mijn God,

maar ach, ook nooit zo ver!

‘k Zocht U altijd buiten mij,

tot het leven mij verwondde,

en ik U, o zaalge stonde,

in mijzelve heb gevonden.

Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!

En laat mij zwijgen en verlangen.