Test
Download document

GIJSEN, Marnix


Mijn vadertje

Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid,

Hij had de zware last op zich geladen, een eerlijk man te zijn

in woord en daad.

Dat is het schone, dwaze kwaad

waar, na ons Here Jezus Christus,

de sterkste man aan ondergaat

Zijn oog was rustigblauw; een verre zee.

Zijn woord van blijheid soms plotse fusee

in stalen nacht.

Hij lachte rood en zoende onverwacht

mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.

De hoge schepen die de Schelde droeg,

hij wist hun laden vast en schoon te sturen.

Hij had hun namen lief,

om mee te spelen-als een kind naíef;

Karatschi, Pantos, Calcutta,

lijk schoon koralen.

Hij wist de haven; heimwee en verdriet,

bij vroege morgenmist

en in de avond onder luid en rauw sirenenlied.

Hij heeft de bossen van zijn jeugd bemind,

Hij kende bomen lijk wij mensen kennen,

Hij wist de winden en de oogst,

en wou mijn hand aan 't ruw bedrijf des jagers wennen.
Mijn vadertje hij was rechtvaardigheid.

Hij had de goede liefde tot de still'en ware dingen.

Onder de schaduw van een dorpse kerk

ligt zijn sobere zerk.

Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.

Zijn rode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.


Met mijn erfoom in de bankkluis

Hij is mijn erfoom. Hij is al oud.
Hij is wel goed, maar zijn woord slaat koud
als wrokkig spijt, als koele haat.

Wij gingen samen naar de bank.
De stemmen der trams waren lief gezang
voor mij,
want ik was verliefd en blij
als een jong vrouwtje in een heel nieuw huis.

De lichten schrilden fel in de kluis.
Met metalen geruis
week open de wand.
Zijn magere hand
gaf me de waarden. - Ik telde ze na.
Hij zei dan romantisch "Ik sterf weldra..."
Hij knipte coupons. Ik schikte ze dan.
Er was een leed, dat ik niet zeggen kan.
Er hingen gedachten als vlaggen in regen.
Hij hoestte en liet me juwelen wegen.
Hij zei me legaten. Ik zag zijn haar.
Het was zo grijs en zo moe voorwaar!
Hij toonde me diep in gedachten zijn testament.
Zijn hand had de vale kleur van cement.

Hij was de Farao, die zijn graf bezocht,
vóór dat de piramide, afgewrocht,
sneed haar hoek in de horizont.
Hij sprak geen woord. Zijn zure mond
was recht en toe.
Hij zette moe
zijn voet op d'ijzeren treden als een zware spa.
Ik ging hem schier wenende achterna.



Bij een sterfbed

Dat wij allen

aan dit leven

kleven

lijk een oester aan haar schelp,

lijk aan de tepel der leeuwin

de weke welp,

doet dàt mij beven?

Of is het dat oud en diep verdriet

om de dag die heengaat,

om een bron die in zand vervliet,

om Oedipus die ons blind en klagend

verlaat?
.
Gele dood, stomme dood,

elke porie wordt een wonde,

ik bloed zwijgend, langzaam uit.

Mijn zoetste ketens, vlees en geest,

hebt gij weer plots ontbonden.

Ik ben uw buit, ik ben uw buit.


Loflitanie van Sint Franciscus van Assisi

Franciscus die arm waart, bid voor mij.
Mijn weekgeld sterft reeds zondagavond
in rozenblaadjes op mijn kamer.
Franciscus die dichter waart, bid voor mij
die m'n lange jonge lokken uitsteek
tot harde helm van idealistische weerstand.
Franciscus die jong waart, laat jeugd bij mij blijven;
voedster, die, oud, nog dezelfde grapjes vertelt als toen we nog onmondig waren.
Laat ons dan even gul lachen - en niet uit medelij.
Franciscus die bomen en dieren en alles begreept,
geef dat ik mijn vrienden en geliefden begrijp.
Franciscus die liefde genoeg hadt om niets te versmaden, open mijn hart als tolvrije stadspoort voor alle vreugd en alle pijn.
Franciscus, die een wereld in u droegt en haar doorkneedde met de desem van uw eigen begrijpen, geef mij het zuivere inzicht.
Franciscus die zo warm om me zijt in avondlof als de eerste beet in mals vers brood, bid voor mij.
Franciscus in wiens leven plotse afgronden zijn van stilte, als voor wie over koele keldermonden gaand' de geur van riekende appelen opstijgen voelt,
maak mijn adem rustig en krachtig.
Franciscus in wiens leven bergen van licht zijn, zo heerlijk gloed-warm als de zoetromige geur van pasteibakkerij.
Franciscus wiens stem ik soms meen te horen, naïef en geduldig, in de melopee-roep der dagbladventers, gij die roept het Eeuwige Nieuws: de Waarheid, bid voor mijn geliefden en mij.
Franciscus die de wereld ingerukt zijt, weg uit de oase der verlauwing, met de wilde zegekreet van een sneltrein, heerser der diepten.
Franciscus, handgranaat van rechtvaardigheid, die sloegt muren van schijneerlijkheid aan stuk, tot elke steen bloedde van rood berouw.
Franciscus, die de hoogmoedige zielen verbrijzelde tot vernedering: maar de lage bloem is meer dan het hoge onkruid.
Franciscus die - wilde hengst van dartelheid - plots op hol sloeg van ontzaglijk verlangen naar de brede vlakte van God, bid voor ons alle die bekneld zitten
in handen van verknechting en minderwaardigheid.
Papaver van liefde in het egaal-gele veld der onverschilligheid,
Zonnebloem van hartstocht in de tuin der sluipend-luie ranken,
Luide cello van hartstochtelijke extase,
Heimwee-harmonica van smeltende tederheid,
zo zijt gij, o Franciscus.

Gij, wiens beeld door soms dorre woestijnen van leven is als kindergelach in mijn dood bureel - het rijt de donkerte van de wanden.
Krachtige toren van jubel,
Als op lentefoor in lachpaleis van zaligheid, onstuimige danser,
IJle klokklank die m' aanvaart op windewiek,
Nachtegaal en leeuwerik van lof,
Rechte heirweg,
Avondstraat,
Allerluidstluidende klok,
Bloeiende geranium,
Nachtelijke vuurpijl,
Vlammenpyramide,
Zomermiddagzon,
Alte Weise van hemelheimwee,
Zee, bid voor ons dwazen, die het geluk zoeken in rust.
Ik zag u,
een ijle spitsboog van magerheid, uw lichaam;
een speldenkussen van boete, uw zingende borst;
een gloeikous van wit licht, uw mager gelaat,
en,
door koude wind van mijn jonge ziel, getoet plots als van een romantische jachthoren.
door avondstraat van vrede, laaie suizen van roodhelle tram,
door mistig rotspad, geweldig hoornen van postkoets,
door hunkervlakte van onbewustheid: mijn leven, uw leven, plots, als een tragisch rood-gestempelde expresbrief in een wit begijnhof,
maar simpel als een volkswijs, genot voor duizenden,
en simpel als kinderdans midden volksbuurt,
en simpel als sleebellen door sneeuwvlakte, zo zijt ge o Franciscus,
Maar bij smart,
uw ogen als plotse fanalen,
uw stem als autosireen,
naar de afgrond aller liefde toe, naar God,
neem me mee,
lijk, los van de ree,
gerukt wordt een schip,
een harde slag, een dappere baar,
weg van het strand,
naar het heerlijke Land van OVERZEE.
Heilige, heilige Franciscus, hier zijn de morzels
van mijn hart, meer heb ik niet - de woede
honden van jeugd-dagen hebben alles verslonden,
hier is de koelheid van mijn klamme haren,
hier is de zwakheid van mijn zwervende voeten,
hier is de ijdelheid van mijn praatgrage tong.
Ik breng u het ellendig beste dat ik heb,
de mirre van mijn woorden,
de wierook van mijn verering,
en het armzalige goud van mijn liefde.
Maar ook het beste dat mijn ziel gebouwd heeft draag ik u op,
de nagedachtenis van mijn vader,
de ernstige gestrengheid van mijn moeder,
de hunkerende weltschmerz van mijn broer,
het zoete zwijgen van mijn meisje,
en de heerlijk-weemoedige ironie van mijn vriend.
Franciscus, voor U heb ik mijn mooiste woorden uitgezocht, mijn schitterkralen, die uitspatten voor de bestofte moeheid uwer voeten als koele zeepbellen, evene laving uwer gloedende tenen.
Ik bid u, verhoor mij Franciscus,
Gij die een wolf hebt getemd, help me de grote huilbende van mijn hartstochten temmen,
Gij die de zon bezongt, laat me mijn leven moduleren op een zachte ritme van innigheid,
Gij die meer dan de kunst van het sterven ook de kunst van het leven begreept, laat me het leven loven, en den dood verwachten als een roerloze boom de pijl. Pal.
Franciscus, die voor de vissen predikte, laat me ook zingen, doelloos in de mensen,
Gij die uw lijf beborduurde met het fijne geduld der geseling,
geef mij mijn dagelijkse pijn,
Gij die U niet schaamde naakt te staan, geef me de moed in de naaktheid van mijn woord, voor de Farizeeërs dezer wereld te treden,
Gij, die kerken gebouwd hebt en moeizaam elke staan zocht, geef me de moed uit de verveling der dagvrachten het gulden huis van mijn rust te bouwen.
Geef me, Franciscus, de gaaf des gebeds.
Mijn ziel is als een trillende vlieger, hunker naar wolken,
Weze uw aandenken de onontbeerlijke olie,
Weze uw steun de koenheid die het looping the loop ondernemen doet,
Weze uw woord mijn veilige valscherm door luchtlagen van laffe zoelheid,
Weze uw mond de bronzen klok van zekerheid: op haar betrouwden de mensen om de luiken te sluiten op hun rust.
Geef aan mijn moeder lang leven,
Geef aan mijn broer rust,
Geef aan mijn vriend kracht,
Geef aan mijn meisje alle geduld,
Geef me smart om van te zingen,
Geef me tranen van ontroering,
en - laat me vragen drie dingen, niet waar?
vooral en allereerst: geef aan allen en
geef aan mij een Vaderland om te beminnen.
Geef - en hier smeek ik u ' de profundis' van walg -,
dat de mensen elkanders Vaderland leren beminnen.
Laat de wereld worden één ganse vreugde
van witte vrede en algehele communie, gelijk uw blije naakte lijf toen gij stierft. O mijn vriend,
mijn broer, mijn heilige vader Franciscus.
Amen.