Test
Download document

VAN EEDEN, Frederik



De kleine Johannes

…..

- ‘Komaan,’ zei Pluizer, ‘nu zullen we iets vrolijks gaan zien.’ -

Bij tussenpozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel uit vele, hoge vensters brak. Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het vernis der wagens.

Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich de rijkgetooide mensen met langzame tred of met snelle, wiegelende draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende schreden en ruisende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op de golven der weke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden verlicht door de glans, waarin zij gretig staarden.

- ‘Dat is mooi, dat is heerlijk!’ riep Johannes; hij genoot bij het zien van zoveel kleur en licht en bloemen. ‘Wat gebeurt daar? Mogen wij daarin?’ -

- ‘Zo, vind je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een konijnenhol? - Zie die mensen eens lachen en buigen en schitteren; zie eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter wereld was.’ -

Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol, en hij zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier groter en schitterender. De jonge vrouwen met haar rijke tooi schenen hem zo schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd half ter zijde wendden in de dans. De bedienden gingen statig rond en boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.

- ‘Hoe prachtig! hoe prachtig!’ riep Johannes.

– ‘Erg mooi, vind je niet?’ zei Pluizer. ‘Maar nu moet je ook eens wat verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende gezichten niet waar? - Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan de kant zitten daar als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heren zijn de vissen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze misgunnen elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heren om zich lokt dan de anderen, en het plezier van de heren ontstaat vooral door die blote halzen en armen. Achter al die lachende ogen en vriendelijke lippen schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou de partij gauw gedaan zijn.’ -

En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd afgelegd.

- ‘Nu,’ zei Pluizer, ‘men moet hen maar laten begaan. Die mensen moeten zich toch amuseren. En anders kunnen zij het niet.’ -

Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de welbekende, lange gestalte. Het bleke gelaat was grillig door de grelle glans verlicht, zodat de ogen grote, donkere plekken vormden. Hij prevelde zachtjes bij zichzelf en wees met de vinger in de lichte zaal.

- ‘Zie,’ zei Pluizer, ‘hij is weer aan 't uitzoeken.’ -

Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder het gesprek even de ogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe het schone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte rilling vóór zich staarde.

- ‘Wanneer?’ - vroeg Pluizer aan de Dood.

- ‘Dat is mijn zaak.’ - zei deze.

- ‘Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,’ - zei Pluizer en knipoogde grijnzend. ‘Kan dat?’ -

- ‘Vanavond?’ - vroeg de Dood.

- ‘Waarom niet?’ zei Pluizer. ‘Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.’ -

– ‘Ik kan niet mee,’ zei de Dood, ‘ik heb te veel werk. Doch noem de naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij de weg vinden.’ -

Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de gasvlammen flakkerden in de nachtwind en het donkere, koude water tegen de grachtwallen kabbelde. De weke muziek klonk flauwer en flauwer en verdoofde eindelijk in de grote rust, die over de stad lag.

Daar klonk op eens van omhoog, met volle galmende metaalklank, een luid en feestelijk lied. -

Plotseling viel het neer van de hogen toren, op de slapende stad - in de droeve, duistere ziel van de kleine Johannes. Verwonderd zag hij op. De klokkenzang hield aan, met heldere, kalme klank, die zich jubelend verhief en fors de doodse stilte scheurde. Vreemd schenen hem die blijde tonen, die feestzang te midden van stille slaap en donkere rouw.

- ‘Dat is de klok,’ zei Pluizer, ‘die is altijd even vrolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, - alsof de klok juichte, dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar wenen en lijden. Doch het vrolijkst klinkt het, wanneer er iemand gestorven is.’ -

Nogmaals verhief zich de jubelende galm.

‘Eens, Johannes,’ ging Pluizer voort, ‘zal achter zulk een venster in een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat peinzend trilt en de schaduwen op de wand doet dansen. Er zal geen gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de plooien. En in dat bed zal iets liggen, - wit en stil. Dat zal de kleine Johannes geweest zijn. -

- O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.’ -

Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tussenpozen. Bij de laatste kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, - hij liep niet meer, maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizers hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen, - met donkere, geheimzinnige gaten er tussen, - waar het gaslicht kuilen, plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een grote poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grote zandhoop. Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruisen van bomen in 't ronde.

- ‘Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer kan dan Windekind.’

Toen riep Pluizer luid een korte, sombere naam, die Johannes deed huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis de klank, en de wind voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hoge lucht.

En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de kleine steen, die zo-even aan zijn voeten lag, hem nu het gezicht belemmerde. Pluizer, naast hem, even klein als hij, vatte de steen met beide handen en wentelde die met alle krachten om. Een verward geroep van fijne, hoge stemmetjes rees van de vrij geworden bodem op.

– ‘Hei! wie doet dat? - Wat betekent dat? - Lomperd!’ - klonk het dooreen.

Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar lopen. Hij herkende de vlugge, zwarte loopkever, de glimmend bruine oorworm met zijn fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige duizendpoten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in zijn gang terug.

Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van de aardworm toe.

– ‘Heidaar! lange, blote slungel! - kom eens voor de dag met je rode puntneus!’ - riep Pluizer.

– ‘Wat moet je?’ vroeg de worm uit de diepte.

– ‘Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!’ -

Voorzichtig rekte de pier zijn spitse kop uit de opening, tastte er enige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde lijf verder naar de oppervlakte.

Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen drongen.

‘Een van jelui gaat mee en licht voor. Neen, zwarte kever, je bent te dik, en jij met je duizend poten zou me duizelig maken. - Ha, jij daar, oorworm! jou gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je scharen! - Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van hout, dat rottend is.’ -

De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.

Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel verlicht. Zij schenen groot als stenen, half doorschijnend, tot een gladde, vaste wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitse kop zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf nader aangetrokken was

Zij daalden zwijgend - lang en diep. Waar Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, - en steeds kroop de oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang. Eindelijk werd de weg breder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich strekten als verstijfde slangen.

Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en hoog, die de gehele ruimte vóór hem afsloot. De oorworm wendde zich om.

– ‘Ziezo! Nu is het zaak, daarachter te komen. Dat zal de pier wel weten, die is hier te huis.’ -

– ‘Kom, wijs ons de weg!’ – zei Pluizer.

Langzaam schoot de aardworm het gelede lijf tot bij de zwarte wand en betastte die zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en het lange, lenige lijf gleed in drie tussenpozen weg.

– ‘Nu jij!’ zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een ogenblik dacht deze te stikken in de zachte, vochtige molm; toen voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de opening los. Een grote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard en vochtig, de lucht dik en ondraaglijk benauwd. Johannes durfde nauw ademen en wachtte in naamloze angst.

Hij hoorde Pluizers stem, die hol klonk als in een grote kelder.

- ‘Hier, Johannes volg me!’ -

Voor zich voelde hij de grond rijzen tot een berg. - aan Pluizers hand beklom hij die, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels, Pluizer volgend, die hem meetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand.

- ‘Hier staan wij goed! - Licht!’ - riep Pluizer.

Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte vervulde, des te vreselijker werd Johannes' beklemming.

De berg, die hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.

Hij herkende de rechte gestalte van een mens, en de kille vlakte, waarop hij stond, was het voorhoofd.

Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken ogen, en het blauwe licht scheen op de dunne neus en de grauwe lippen, in akelige, stijve dodenlach geopend.

Uit Pluizers mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de vochtige houtwanden.

- ‘Dit is nu een verrassing, Johannes!’ -

De lange worm kwam aankruipen tussen de plooien van het lijkkleed; hij schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen in de zwarte mondholte.

- ‘Dit is nu de schoonste uit de danspartij, - die je schoner vond dan een elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleren en haren, toen lonkten haar ogen en lachten haar lippen, - Zie nu eens!’ -

Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de ogen van Johannes. Zo snel? - Die pracht was zo-even, en nu reeds....?

- ‘Geloof je mij niet? grijnsde Pluizer. ‘Er ligt een halve eeuw tussen toen en nu. Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het geloven. Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon Windekind niet zeggen.’ -

Grinnikend sprong Pluizer rond op het dodengelaat en bedreef de afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vrolijk had zien schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje.

- ‘Nu vooruit!’ riep Pluizer, ‘er valt nog meer te zien!’

De pier kroop langzaam uit de rechter mondhoek te voorschijn, en de bange tocht werd voortgezet.

Niet terug, - maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen.

- ‘Nu komt een oude,’ zei de aardworm, toen weer een zwarte wand de weg afsloot. - ‘Deze is hier al zeer lang.’ -

Het was minder vreselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.

- ‘Van waar komt gij? - Wie brengt hier licht? - Dat hebben wij niet nodig.’ -

En snel schoten zij weg tussen plooien en in holten, Doch zij herkenden een soortgenoot.

- ‘Zijt ge in die hiernaast geweest!’ vroegen de wormen. - ‘Het hout is nog hard.’

De eerste worm ontkende. - ‘Hij wil het buitenkansje voor zich houden,’ - zei Pluizer zacht tot Johannes.

Verder trokken zij, - Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende ogen, dikke, zwarte lippen en wangen.

- ‘Dit was een deftig heer,’ – zei hij toen vrolijk; - ‘je hadt hem moeten zien, zo rijk, zo voornaam en zo ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.’ -

Zo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met grote hoofden en oud-achtige denkersgezichten.

- ‘Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!’ - zei Pluizer.

Zij kwamen bij een man met volle baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond, zwart gaatje.

- ‘Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij was toch wel hier gekomen.’ -

En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerloze, over elkaar gelegde handen.

- ‘Nu ga ik niet verder,’ zei de oorworm, ‘ik weet hier geen weg meer.’ -

- ‘Laat ons omkeren,’ zei de pier. -

- ‘Nog één, nog één!’ - riep Pluizer.

Verder ging de tocht.

- ‘Het bestaat alles wat je ziet,’ - zei Pluizer onder het voortgaan, ‘het is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. Jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.’ -

En hij schaterlachte, als hij de angstige, wezenloze blik van Johannes bij zijn woorden zag.

- ‘Dit is de laatste! - werkelijk de laatste!’

- ‘De gang loopt dood, - ik ga niet verder,’ - zei de oorworm knorrig.

- ‘Ik wil verder!’ zei Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven.

- ‘Help mij, Johannes!’ - Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne aarde weg.

Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.

De pier had de geringde kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.

- ‘Zij komen er niet in - het hout is te nieuw.’ - zei hij bij 't heengaan.

- ‘Ik wil,’ zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte splinters krakend uit het hout.

Een vreselijk beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, - hij kon niet anders.

Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop haastig naar binnen.

- ‘Hier, hier!’ - riep hij en liep naar het hoofdeinde.

Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze, hij herkende de vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan de wijsvinger.

Het waren zijn eigen handen.

- ‘Hier, hier! riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. ‘Zie eens - herken je hem?’ -

Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan, dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen duisternis, en hij viel bewusteloos.


…..

- ‘Ik ken u. - Ik herken u. Ik wil bij u zijn.’

Johannes strekte de handen uit. Doch de mens wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op de vurige weg.

‘Zie!’ - zei hij, ‘dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult gij het niet vinden. Doe nu uw keuze. Daar is het Grote Licht, daar zult gij zelf zijn wat gij verlangt te kennen. - Dáár!’ - en hij wees naar het donkere Oosten, - ‘waar de mensheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat gij gedoofd hebt, maar Ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe uw keuze.’

Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en strekte de handen naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote duistere stad, waar de mensheid was en haar weedom.