Test
Download document

VESTDIJK-, Simon


Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:

Van vage weidewinden die met lijnen

Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen

Waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.

Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt

En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid

Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van blekerij

Of van de ovens waar men schelpen brandt

Is meer dan tijmgeur aanstichter van dromen,

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand

Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd

En in één beeld met sintels opgenomen.


De uiterste seconde

Voor Ans

Doodgaan is de kunst om levende beelden

met evenveel gelatenheid te dulden

Als toen zij nog hun rol in 't leven speelden,

Ons soms verveelden, en nochtans vervulden.

Hier stond ons huis hier liep zij met de honden;

Hier maakte zij de bruine halsband los;

Hier hebben wij de stinkzwammen gevonden,

Op een beschutte plek in 't sparrenbos.

Doodgaan is niet de aangrijpende gedachte,

Dat zij voortaan alleen die paden gaat, -

Want niemand is alleen die af kan wachten,

En niemand treurt die wandelt langs de straat, -

Maar dat dit alles was: een werk'lijkheid,

Die duren zal tot de uiterste seconde;

Dit is de ware wedloop met de tijd:

De halsband los, en zij met de twee honden.


Witte uil

Asgrauwe veren dekken met zwaarbelede

Ogen, waar ’t vuur van een systeem in smeult;

Zonder beweging in het daglicht heult

Hij met zijn nachtelijkste tijdbesteden;

Want alles wat hij in bloedende repen

Scheurde met scherpgekromde klauw of bek
Straalt uit zijn blik terug, en is begrepen,

Voor altijd vastgenageld op die plek.

Geen prooi leeft lang meer, nadat ’t grijs ovaal

Hem peinzend toegewend werd als een kaal

Hoog voorhoofd, dat vermoordt uit hoger sferen.

Doch schrikt hij, vliegt hij hoog in werk’lijkheid,

Dan ziet men ’t onverwachts zo teer gespreid

Als bij een vrouw de zijden onderkleren.