Test
Download document

CLAUS, Hugo



Oedipoes

…..

Oedipoes

Want wij zijn verdoemd.

Een oceaan moet tussen ons vloeien,

Golven die niets kunnen wegspoelen

Van wat er tussen ons is gebeurd,

Jokaste, vrouw, moeder.

Er moet een andere wereld zijn voor ons zijn,

Een andere planeet onder andere steren

En een van ons moet daar wonen

Onder een andere zon.

…..

Oedipoes

Waar? Hier.

Mensen van Thebe, ik verlaat u.

Ziet gij mij gaan?

Mijn lot, mijn schande, mijn vloek gaan mee.

Er is hoop voor u, gij kunt uw doden begraven,

de lucht zal opklaren,

verhef uw gezicht, alles zal veranderen.

Klamp u aan uw leven vast,

adem, de lucht is lichter al.

Ik neem de ziekte mee, de kwalen

die ons verminkt hebben, mee met mij.

…..

Oedipoes

Kom, mijn dodelijk noodlot.

Kom, mijn meedogenloze vijand, met mij mee,

je bent mijn enige vriend.

Grauwe gedaanten, pest, ziekte, honger,

blaas uw doodsreutel in mijn oren

en waar ik ook ga, wanhoop, ga met mij mee,

wanhoop, ik waggel naast je,

toon mij de weg, ik volg je. Ik zie de weg.

….


Een bruid in de morgen

…..
Je lijkt op mij. Je bent geen andere. Nu ga je weg, verdwijnt wel gauw tussen alle anderen... En alleen wil ik niet meer doorgaan, terwijl ik weten zou dat jij ergens op de wereld langzaam een vreemde Thomas wordt, een onbekende man voor mij... Ik ga nu weg. Ik ben bang, bang, zo bang ben ik nooit geweest, maar het moet...’
…..

De Metsiers

…..
“Hij is zot”, zegt Ana, “aan wie heeft Mon dat verteld?”

“Aan mij en aan de dikke Smelders … Maar waarom komt de dikke Smelders niet meer bij je op het hof?”

“Hij zal van nu af geen tijd meer over hebben voor mij,” zegt Ana.

“Hij zal bij de Franse Miet in het dorp blijven plakken.”

“Zij is een slechte vrouw, hè Ana?”

“Ja, zeker, daar kruipt hij bij, dat trekt hem aan.”

“Ben je boos op hem? Als hij met je getrouwd is, gaat hij er toch niet meer naar toe. Of trouw je dan niet meer met de Vette?”

“Ach, jongen,” zegt Ana. Ik kijk naar Ana, en ga wat dichter bij haar zitten in het gras. Ik leg mijn hand op haar buik, juist onder haar navel, die ik voel met mijn pink.

“Doet het hier pijn, Ana?” vraag ik.

…..

“Hier?” vraag ik.

Zij legt haar ene hand boven op de mijne, en drukt haar dichter tegen haar buik aan.

“Lieve jongen,” zegt zij, met haar andere hand streelt zij mijn haar, haar vingers schuiven langs mijn schedel, en dalen langs mijn nek, …..

…..


Suiker
…..
Ik ben log, een suikerwerker op twee poten en met twee poten naar voren, die bieten op de karren laden of bieten in de spoorwagens krabben met de riek. Ik stink naar de bieten, ik krijg die bietenlucht niet uit mijn kleren, niet uit mijn haar. En je bent er vies van. Ook van mijn dikke kop die bedelt en kwijlt. Het is natuurlijk, het kan niet anders. Steeds opnieuw. Ik kan er niets aan doen, ik kan het niet tegenhouden, ik merk dat wel, zo vervroren zijn mijn ogen n iet. Vrouwen hebben het mij al eerder gezegd. Ga weg, smeerlap, zeggen zij. Jij ook. Maar ik ben toch iemand, Malou, ik ben iemand. De anderen bij jou – wat deden zij? Hoe kwamen zij nader? Welke leugens vertelde hun mond, hoe raakten zij je vel?

…..


Vrijdag
…..
Jeanne :

Maar zet u toch. Doe uw jas uit. ’t Is lijk of dat gij op visite zijt!

Georges:

’t Is lang geleden.

Jeanne:

Wacht een beetje. (gaat zitten) . ’t Draait lijk allemaal voor mijn ogen. Op de weg naar Hier, dacht ik dat ik ging omverwaaien. Ze zeiden nog: drink eerst een druppelke, maar ik zeg: als hij mijn adem riekt, na al die tijd voor het eerst- hij zou wel kunnen denken…

Georges:

(gaat ook zitten) ‘k wist niet meer dat ’t hier zo groot was.

Jeanne:

En ge waart niet curieus? Gij wilde niet een keer naar ’t kindje gaan

loeren? Serieus?

Georges:

serieus.

Jeanne:

Mannen zijn rare gasten. (stilte)

Georges:

Ja, en vrouwen niet? Godverdomme, Jeanne! En mijn hof? Bezie dat! De prei, de winterselder. En bezie die perelaar! En die rabarber! En dat kruid! Godverdomme, Jeanne, is ’t te veel, dat ge het onkruid doet?

Jeanne:

En wie moest dat doen misschien? ‘k kom alle avonden thuis van de Filatex met mijn tong op mijn kin!

Georges:

Maar toch, Jeanne! Zo die hof naar de kloten laten gaan. Bezie dat!

Jeanne:

Ik wilde confiture maken d’rvan, ik ben d’r aan begonnen, maar als ge een hele dag rechtgestaan hebt in de Filatex…

Georges:

Gij hadt andere dingen aan uw hoofd,zeker?

Jeanne:

(trekt aan zijn regenjas) trek dat uit. (ze helpt hem) Wat zit er in die zakken, hij weegt zo zwaar?

Georges:

Dingen, die in mijn koffer niet konden. Blijf er af.

Jeanne:

Gij spant in uw hemd lijk een lookworst. Uw buik is dikker.

Georges:

Hoort ge me niet goed? Ik zeg dat ge misschien andere dingen aan uw hoofd had.

Jeanne:

Misschien.

Georges:

Komt ge nu van bij hem? Zat je bij hem dat ‘kwartier’?

Jeanne:

Ja. Zijn moeder is niet wel. Aan haar maag. Ze mag geen koffie meer drinken van de dokter.

Georges:

En hem- was hij daar ook?

Jeanne:

Vaneigen. Hij scheidt uit te vijven. En hij komt altijd recht naar huis.

Georges:

Hier, is dat zijn huis niet, hier?

Jeanne:

’t Is dezelfde niet meer, Georges. Gij zoudt hem niet meer herkennen. Hij werkt, hij brengt zijn pree naar huis, hij is lijk een andere.

Georges:

Hij is lijk een andere, ik ben lijk een andere, ik herken mij hier niet meer in Marke. En hij kaart zeker niet meer?

Jeanne:

Ja, dat nog wel. Maar dat is zijn enigste plezier.

Georges:

Zijn enigste. En gij, zijt gij zijn plezier niet dan?

Jeanne:

Ja, ik ook. – Wat gaan wij daar mee doen, Georges?

(stilte)
…..


De verwondering

…..
Als later in de smerigste omstandigheden, en er zijn er geweest, Crabbe iets ridderlijks, ouderwets, belachelijk formeels behield, dan is dat aan de scholing van de Keukeleire te wijten. Of te danken. Ik heb Crabbe te veel als een beest bezig gezien om dit laatste niet uit elkaar te kunnen houden. Hij deed de Keukeleire na, als een aap. Hij was zeventien, achttien toen, en de Keukeleire was een indrukwekkende man. Niet dat ik zover zou gaan als sommigen onder ons die de Keukeleire al seen martelaar willen afschilderen, nee, hij is gestorven aan zijn eigen rechtschapenheid en dat maakt zijn politieke rechtschapenheid wat verdacht. Maar eigenlijk, precies voor die onwrikbare persoonlijke eerlijkheid die hem niet deed deugen voor de zaak die hij leidde, was hij al indrukwekkend; Crabbe die een helder oog had voor dergelijke dingen was gefascineerd.

…..