Test
Download document

DE MERODE, Willem


Ik heb u lief


Ik heb u lief, gij zult gelukkig zijn!

Zo fluister ik, alleen, in staag herhalen,

En door mijn denken komt met vlagen dwalen

Van liefdes volkslied het oeroude refrein.


De meisjes zingen ’t in de maneschijn

In brede slingers wandlend langs de wegen,

Zij roepen ’t iedre donkre jongen tegen:

Ik heb u lief! gij zult gelukkig zijn!


Door de open ramen luwt de lindegeur,

Zo loom en zoetjes als bemind getreur,

Dat men vertroetelt om niet te genezen.


Ik leed om u als ‘k om geen ander leed,

Gij mindet mij, zoals geen ander deed,

Ik heb u lief! gij zult gelukkig wezen.


Landelijke zaterdagavond

Landelijke zaterdagavond
Alles is vrij, de dingen zijn gaan slapen.
Werktuigen, van het zweet der handen nat,
Zijn eindelijk weer drooggepoetst en glad.
En mensen rekken zich lui uit en gapen.

De jongens zwemmen naakt en zonverbrand.
De moeders zitten breiend langs de straten.
Een krant maakt zich op tafel breed en bant
Haar schokkend nieuws in manlijke gelaten.

De helderdonkre hemel heft zich hoger
En is op eenmaal vol geheim, als vloog er
Dreunend een vliegtuig naar een vreeslijk oord.

En onder dit afschuwelijke kermen
Liggen de paren langs de duistre bermen
En planten zich hartstochtlijk hijgend voort.


De moordenaar

Toen hij gedaan had wat hij wou,

Begon er in hem een bedroeven

Of hij moest wenen bij een groeve

En nooit meer vrolijk wezen zou.

Vlak naast hem was de vette vrouw,

Nog naakt, zich wassend, of de schande

Met ’t zeepsop droop van hare handen.

Haar ogen waren hard en grauw.


En plotseling had hij zijn mes

In ’t deinen van die buik gestoken

En worgend ’t gillen afgebroken,

Smeet haar in bed als lege fles,

Ging kalm op straat, was blij en krachtig,

En voelde zich tot veel goeds machtig.



Begrafenis

Hij is bepaald heel net gekist:

gekleed kostuum; op mat fluweel

doet dat heel goed, 't is rijk en eêl.

Wat zou hij trots zijn als hij 't wist.


Het glas heeft een geslepen rand.

De schuif is van licht notenhout;

uit donker is de kist gebouwd,

als passend voor een man van stand.


Plechtstatig wordt de stoet geschikt.

In de rijtuigen màg gesnikt.

Krijtwit gehandschoend, in de vormen,

volgen de dragers, zwart en zacht.


Hij wordt met ongeduld verwacht

door witte maden, rode wormen.



Ik kus uw lippen en uw ogen


Ik kus uw lippen en uw ogen,

Ik kus uw haren en uw mond,

Ik kus mij moede en gezond;

Kussende ben ik rondgetogen.

Gij glimlacht en gij wilt gedogen

Dat ik uw hand kus en uw voet.

Ik eet uw vlees en drink uw bloed

Ik kus uw lippen en uw ogen.


Ik kus u in de vroege morgen,

Ik kus u ’s avonds en des nachts.

Ik kus u stil en onverwachts,

Ik kus u heftig en verborgen.

Uw liefde is zo wijd en vrij,

Zo vol van deernis en ontferming,

Dat ik nooit buiten uw bescherming

Verdwalen kan; ik kus u blij.



Waanzin

Ik leef niet meer als ik u niet aanschouw.

Mijn denken is in leegte weggezonken.

’k Zie ’t licht niet meer, maar ballen vuur en vonken

En dan duikt alles in een nacht van rouw.


Er is een luide suizing in mijn oor,

Waar alle stemmen effen in vervloeien,

Tot klanken, schoon als bloemen, open bloeien,

En met een schok is ’t dat ‘k u noemen hoor.


Dit is beminnens waanzin, zeer gevreesd,

Wijl niemand uit haar weerloosheid geneest,

Of van haar laten wil, dan om te sterven.


Daar is geen leven buiten uw verband.

Blindelings tast ik langs de wereldwand

En stoot mijzelf gelijk een vaas aan scherven.



Oud en dwaas


Ik had een afspraak, en in rode zijde

En schoon gewassen, trad ik voor de spiegel,

Ik schrok en toornig trapte ik op het glas.


Ik zag: mijn haar was grijs en dor geworden.

Mijn ogen waren als het groezlig water,

Vlak op de bodem van een diepe put.


Ik zag 't gebarsten leder van mijn wangen,

En zei: niemand zal mijn weke lippen

Meer kussen tot een volle rode bloei.


Ik was zeer toornig en vertrad de spiegel.

En wenend zocht ik naar de oude trooster:

Ik borgde warmte en vreugde van de beker,

En droomde mij op zijden kussens jong.



In de avond


En dan ga ik met al mijn leed

De schemerende avond binnen,

En alle waanzin van beminnen

Valt van mij als een lastig kleed.


't Bloed deint zo rustig en zo breed

Van golving door mijn hart; de zinnen

Zijn zuiver of ze opnieuw beginnen

De grote waak, die leven heet.


't Is alles wonder en gewoon,

De wereld spiegelt zich zo schoon

Of God ze heden had geschapen.


En ik ga, als de eerste mens,

Vervuld van een geheime wens

Naar uw gelaat, tevreden slapen



Overpeinzing

Ik zei: 't geluk zal mij verfijnen!

Nu weet ik, dat de weelde moordt.

Mijn ogen glanzen niet, maar kwijnen,

En al mijn krachten zijn verstoord.


Mijn hoofd verdoft een prikklend suizen.

Een pijn doorgluipt mij en verspet!

En dan is 't, of God al de sluizen

Van 't gloeiend bloed wijd open zet.


Ik waggel angstig langs de straten

En bloos bij ieders blik, en voel

Me opeens van God en mens verlaten,

En zonder plicht en zonder doel.


En 's avonds, na onmatig drinken,

Als driest de roes woelt door mij heen,

Gaat langzaam alles mij ontzinken.

O, ik ben overal alleen!


En 'k weet, mijn ouders, diep gebogen,

Bidden voor mij; een rimpel trekt

Tussen mijn broeders woedende ogen.

Maar God houdt zijn gelaat bedekt.