Test
Download document

DIERICK, Aleidis


Tederheid zal ik u noemen

Gij maakt mij wilder wilder dan gras

en bloemen, ik die al wilder dan water ben

hoe zal ik u in mijn hartstocht noemen

u die ik nauwelijks ken.

Zal ik u lief en beminde noemen

in hoeveel namen vloeit gij mij uit

nooit stond een zomer zo te bloeien

in al zijn linden in al zijn kruid.

Hoe zal ik u in mijn kamer noemen

als gij schreiend uw mond drukt aan mijn huid

als gij stamelend man wordt in al uw zoenen

tederheid zal ik u noemen.


De aarde

Soms houd ik alleen van de aarde
van dieren niet, niet van mensen
van het hete zand, van het hevige
van grasland 's avonds, van heide.

O aarde ik duik u aan scherven
ik zink in uw zuigende waters
ademloos stijg ik later
naar een blindmakend landschap van zon.

Aanvaard mij in hooi in papavers
in zaden in kruid wil mij bergen
als ik schreeuw om die één om wie
ik zonder genade moet werven.


Vernissage of de tuin bestaat I

Nu wordt het water hoorbaar in de stilte.

Zo was de regen vroeger aan het raam

toen ik een kind was en, bij bomen woonde

en als de vossen was, heel blond, en zonder naam.

De wortels groeiden glanzend uit de duinen,

de zomers rijgden zich als kralen aan elkaar,

ik viel verrukt een ander lichaam tegen

in helder water, de bodem stil en klaar.

De vennen blonken donkergroen en vonkten

lang voor het onweer losbrak op de hei.

Geluk is drijven in voorzichtig water,

de regen over ons groen als de wei.


Vernissage of de tuin bestaat VIII

o Jong zijn. Kleine borsten hebben,

zien hoe verlegen plots de jongens staan.

Een nieuwe innigheid die kwelt en zoet is.

Pianoles, de leraar en de maan.

De zomer anders, alle geuren anders,

de stad een landkaart, 's zondags appeltaart,

sigarengeur als er nog laat bezoek is,

bevlagde boten, trékaken op de vaart.

En lezen. Donkere wetenswellust,

geheime tover van het wondere woord,

heel eenzaam in een heel stil huis zijn.

Gedichten lezen. Tot men namen hoort.


De avondmis

Tegen zijn hals rust de amikt, sneeuwwit.

Hij kruist de linten op zijn rug en legt

vooraan een strik. De sacristie krijgt licht

van boven. Gekrab van duivepootjes is te horen.

Avondgeluiden van een lege stad.

Vakantie. Aan de staande kapstok

heeft hij zijn jasje opgehangen.

Hij strijkt de plooien glad.

De albe past hem als gegoten.

Hij hangt het lendenkoord terug in de kast.

Een geur van boenwas en van oude sloten,

geoliede scharnieren, zuiver linnen.

Bartholomeus. Rood. Kazuifel helder carneool.

De pelikaan van koper. Dood. Verrijzenis.

De armen spreidt hij als een vogel,

ontkomen aan verderf en duisternis.

In het borduursel schitteren bloedkoralen.

De daggebeden van de martelaren.

Kijkend in de spiegel wast hij zich

de handen en hij ziet hoe mooi hij is.