Test
Download document

HERMANS, Willem-Frederik



Ik heb altijd gelijk

…..
Weggegaan, maar in arren moede teruggekeerd, in een klein land dat niets in de wereld te betekenen heeft, bedrogen en verpletterd, bespuwd, verkracht en bepoept, een klein land waar niets mogelijk is behalve belasting betalen en soldaatje spelen en dan weer belasting betalen en alle dagen hetzelfde doen, kans dat je aan kanker sterft een op zes. In Amerika is het natuurlijk net zo, maar die kunnen tenminste nog de schijn ophouden. Wij worden door niemand au sérieux genomen, wij zijn in de volgende oorlog even weerloos als in de vorige. Alles mislukt, niets te bezitten waar ik trots op kan zijn, zelfs het geld niet dat ik nu weer heb. Niets om van te houden. Vrouwen genoeg, maar de vrouwen die in mijn buurt komen geef ik niet om.
…..

De donkere kamer van Damokles

…..
Osewoudt deed het licht uit, maakte een doosje open, gemakkelijk kreeg hij de film in de spoel. Hij deed de spoel in de ebonieten doos, sloot deze, draaide het licht weer op en begon de behandeling die hem uitgelegd was. Gedurende de vastgestelde tijden dat de baden hun werking deden in de ebonieten doos, zat hij te wachten op een lage kist, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn hoofd voorover. Zo nu en dan keek hij op zijn polshorloge, maakte het horloge los en dan weer vast. Het was stil, geen geluid van buiten drong door tot hier en behalve hij scheen er niemand in het souterrain te zijn. Hij overdacht wat er die laatste tijd gebeurd was, sinds Elly hem vorige week maandag had opgebeld. Hij telde de dagen uit. Vrijdag was het nu! Morgenmiddag moet ik Amsterdam opbellen, om vijf uur, nummer 38776! Dorbeck heeft een ander mens van mij gemaakt, dacht hij.

…..
Lagendaal maakte grote, langzame stappen. Met een hand peuterde hij in zijn mond. Er moest ergens iets vastzitten achter een kies. Daarna beet hij op zijn duim. Hij hield zijn hoofd gebogen. Boven op zijn kruin scheen rood vel door zijn dunne onsmakelijke haren. Hij liep gewoon over het pad, hoewel dit nauwelijks een pad mocht heten. Maar ineens deed hij een paar stappen opzij. Hij had iets bijzonders gezien, hij bukte zich, hij raapte iets op. Het was een nijptang! Een ogenblikje bleef hij staan, bracht de nijptang met twee handen vlak voor zijn ogen en deed hem open en dicht. Daarna ging hij naar het pad terug en liep verder naar zijn huis. De nijptang droeg hij in zijn rechterhand, hij deed hem nog voortdurend open en dicht. Osewoudt voelde zijn tanden klapperen. Hij kon Lagendaal nu goed in het gezicht zien, de dunne uitgerekte neus, de vouwen langs de neus. Hij zag ook Lagendaal's ogen. In enorme wijde, diepe kassen lagen zij. Hij had dikke aan elkaar gegroeide wenkbrauwen, die elk precies de vorm van een ^ hadden. Het leek of elk oog apart in een huisje met een puntdak woonde. Waterige fletse ogen waren het, ook het vel eromheen was zacht en waterig bijna. Zonder een ogenblik in de richting van de deur gekeken te hebben, verdween Lagendaal uit het gezicht.

Osewoudt draaide zich om, het pistool bijna op ooghoogte geheven in zijn trillende vuist. Hij zette alvast zijn ene voet voor de andere, ondertussen kijkend naar de deur van de keuken, maar niet in de keuken kijkend, want de deur stond dwars op het gangetje en bovendien had hij hem achter zich bijna helemaal dichtgedaan, wat nu pas tot hem doordrong. Hij spitste zijn oren, maar hoorde alleen de stappen van Lagendaal in het zand. Daarna een stap op de houten vloer van de keuken. Een uitroep: -Wat heb je nou? -Help! Help! gilde Osewoudt. De keukendeur sloeg open en Lagendaal deed een stap in het gangetje. Osewoudt schoot meteen. Het hele gangetje lichtte op, alsof er een bliksemlicht was afgegaan. Maar Lagendaal zakte niet in elkaar. Hij verdween in de keuken. Osewoudt sprong hem achterna. Toen hij Lagendaal weer zag, was deze midden in de keuken. Osewoudt schoot opnieuw, maar Lagendaal deed weer een stap. Osewoudt schoot tweemaal achter elkaar. Lagendaal viel, maar hij stortte niet ineen, zijn bovenlichaam bleef rechtop, zijn ene been was onder hem gevouwen, het andere schopte woest over de grond. Osewoudt kwam nu vlakbij hem en terwijl hij met de linkerhand zijn rechter elleboog vasthield, schoot hij het pistool leeg in Lagendaal's rug. Lagendaal sloeg achterover en zijn hoofd bonsde op Osewoudt's schoenen. Zijn mond hing open, zijn ogen bewogen niet meer. Osewoudt keek op. Door de open deur trok blauwe damp in slierten naar buiten. Hij stopte het pistool in zijn zak, stapte over Lagendaal heen en liep regelrecht naar het schuurtje. Het was niet op slot. Er stond een herenfiets. Hij bracht de fiets naar buiten, sloeg het schuurtje dicht en stapte op. Maar voor hij uit de naast omgeving van het huis vandaan was, remde hij en legde de fiets op de grond. Hij holde naar de keuken terug, ging naar binnen en rukte Lagendaal de nijptang uit zijn krampachtig gesloten hand. Daarna blies hij het petroleumstel uit.

…..
Hij had een hoog voorhoofd en daaronder, in ondiepe kassen, de groene wolvenogen van de wildste germaanse stamen.

- Jij bent die Osewoudt hè?

…..

Nooit meer slapen

…..
Ik steek de waterstromen over zonder de minste moeite en zonder dat ik mijn schoenen hoef uit te trekken. Bij de driepoot gekomen kijk ik rond naar alle richtingen, maar zie niemand. Zonder reden houd ik vervolgens mijn rechteroog voor de kijker van het meetinstrument. Precies voor de kruisdraden zit een sneeuwhoen tegen de helling waar de kijker op gericht is, klapt met z'n vleugels zonder weg te vliegen, pikt iets op van de grond, verdwijnt dan uit het gezichtsveld.

Aarzelend loop ik de richting uit waarheen de kijker was georiënteerd.

- Hé! Arne!

Hij ligt op de grond, vlak bij mij.

- Hé, hé, stamel ik.

Hij ligt achterover, een been gekromd, het andere gestrekt. Duidelijk zie ik de gladafgesleten zool van zijn laars, die bovendien is opengescheurd. Zijn achterhoofd ligt tegen een steen. Iets dat op gele pudding lijkt, besmeurt de steen. Het zit vol vliegen van een soort die ik hier nog niet eerder heb gezien, grote, blauwe. Blauw als de wijzers van een pendule.

Zijn mond is op een vreemde manier gesloten, de slechte tanden van zijn bovenkaak, rusten op zijn onderlip, of hij op het allerlaatste ogenblik nog pijn heeft moeten verbijten. Verder is zijn gezicht precies zo als ik het gezien heb in zijn slaap: onbegrijpelijk oud en moe, gerimpeld als de schors van een eik. Maar dit is geen slapen. Dit is nooit meer slapen.

Mijn hand voor mijn mond schijnt mij het verder ademhalen te willen beletten.

Er lopen ook vliegen over zijn baard, over zijn voorhoofd, over zijn half gesloten ogen. Maar geen enkele mug

…..


De tranen der acacia’s

…..
Hij bukte zich, sloeg het dek van het bed op en ging liggen, alsof hij in zijn eigen bed stapte en Andrea er niet was. Zij moest er toch zijn, al begreep hij niet dat hij niet tegen haar aanstootte, toen hij ging liggen. Maar opeens kroop haar hand over zijn borst. Hij strekte zijn linker arm uit en Andrea lichtte vanzelf haar hoofd op. Zij wentelden zich tegelijkertijd naar elkaar toe. Zij wisten niet waar zij elkaar het innigst konden omklemmen. Hij streelde haar lichaam, zijn vingers zich verwarrend in de zachte zijde van haar nachthemd. Andrea kuste hem met de weke binnenkant van haar lippen die zo warm waren als zijn eigen mond en zo zacht dat hij ze nauwelijks voelde, dat hij niet kon uitmaken waar zij begon en hijzelf eindigde. Zijn hand gleed bijna angstig over haar huid, of Andrea tot hun straf plotseling in een afzichtelijk cadaver kon veranderen, of zijn vingers konden blijven haken in een open gezwel. Maar onmiddeliijk daarop sloegen zijn gedachten weer om. Zij trok de knopen van zijn ondergoed los, hij voelde haar hele lichaam tegen zich aan, warm als zijn eigen bloed.

…..