Test
Download document

DE ROEK, Jan


Ik richtte als een onweer schade aan

Ik richtte als een onweer schade aan

aan de schuimende kerselaars

en het ontluikend, heftig kruid der tederheid.

Onder het gekrijs der meeuwen, vernielend,

reet ik het gezicht, het hart van deze stad,

haar gevederd nest van jonge tortels

haar aanminnig hermelijn, met messen open

en verwoestte haar priëlen.

Ik heb haar priesters uitgescholden

en haar standbeelden geschonden.

En thans kruip ik beschaamd onder de grond

en word een vreemdeling,

graaf schachten en zoek wroetend, buiten adem

naar het schaarse erts der troost, mansoor en laurier

in kelders, kerken en verschansingen

verberg wild mijn handen, mijn gezicht,

en draag een mantelkap


In hoc signo

In deze wereld van beschermde gebouwen

van humoristen, zangers, couturiers, reisbureaus en romanciers

niet van dichters, in deze wereld, deze wasserij

van ambtenaars, in deze wereld van vergaderingen,

van vergaderingen, met dezelfde, de eeuwige sprekers en schrijvers

In deze gevoerde tijd van nerts en pels, in deze geschminkte

voorzichtige tijd, deze papieren tijd van papieren

mensen, deze tijd van verzekeringen en krijsende pausen

In deze verdovende tijd, niet van dichters,

van tekstschrijvers, van journalisten en reclame

leen ik vanvond als dichter dit gelegenheidsgedicht – dit zal nog blijken.

In deze tijd van stempels en loketten, van formulieren,

niet van handen, in deze gedesinfecteerde, geprefabriceerde

tijd, lees ik deze, mijn geloofsbrief voor.

In deze tijd van pluche, deze kleverige tijd

in deze haperende tijd. In deze rituele tijd

van hoofdletters. In deze razende tijd.

In deze tijd waarin alleen bordelen bloeien.

In deze tijd van pruiken en van pruilen

sta ik samen met u mijzelf te verdedigen.
…..