Test
Download document

VAN SWAANENBURG, Willem


Parnas Dreun

Dat ik een paradijs kon torsen, op mijn pennen,

Ik bouwde een prieel van parels, en kristal,

En cederde uw hof tot een oranje wal,

Waarin Zephirus zou zijn Flora’s wagen mennen.

Ik stak al ’t ijs in brand, en deed de zomer dansen

Op klompen van robijn, langs vacht van elpenbeen,

Ik deed de Aganip van zand, en wellen treên,

Om u, met haar gekus, voor ieders oog te kransen.


Aurora's kimmen ontsloten door de gebeden van een Morgendichter.

Grootstoker van het goud, die met uw dart'le vlammen

De zilv're velden roost van 't lachende gestarnt',

't Geen met zijn Watervuur op puin van wolken barnt,

Waar 's nu de Zegevuist, die nevelen kon rammen?

Stijgt op uw Dagkaros, Beheerser van de dampen,

En ruk de Paarden langs de lendens van den nacht,

Die met zijn sproeten heeft al 't flikk'rend stof verkracht,

Zo kan de Lier zich vast aan Daphne’s lauw'ren klampen.

De Kunstgodin, die reist, van dons en Zwanepluimen,

En pronkt haar blanken hals met tranen van de zon,

Die Thetys ronnen doet tot paarlen in haar bron,

Eêr bruine Duikers haar van zilte wortels schuimen.

Daar tuurt zij op de kim, op jonge morgenblikken,

En ziet Auroor gehuld in welig rozenbloed,

Schoon dat de Winterbeer in Zee, en Duinen wroet,

Om met een grijze muil al 't Aardrijk in te slikken.

Het Diamantpaleis ontgrendelt van zijn sloten,

Zet zijn deur wijd op voor 't al doordringend licht,

Dat al, waar 't straalt, zich zelfs een gulden zetel sticht,

Om 't duister Reuzendom ten afgrond in te stoten.

't Wordt tijd voor Pallas, om een Krijgsgevecht te wagen,

En als een Amazoon te rukken voor de wal,

Daar domheid suizebolt voor 't ongemeen geschal,

Dat Vrouw Minerva maakt, om 't wanstalt weg te jagen.

Doch donder niet te fel uit Etna's Moordspelonken,

Nog braakt geen Solfer-mijn uit kelen van metaal,

Daar 't helse Veldgeluid aan stukken barst op 't staal;

Maar laat de Lelievaân zijn aan uw as geklonken.