Test
Download document

HOFFHAM, O.C.F.


HYPNUS' GEBOORTE

Reeds in de aanvang van Saturnus' eeuw,

Toen 't godendom nog geen driften kende,

Minde Erebus, die vreselijke god,

De bruine Nox, de stilste der godinnen.

Eens 's nachts bezocht god Erebus zijn bruid,

Daar Bacchus en Cupido hem verzelden;

En als de schone, in haar sombre zaal,

Haar bruidegom en gasten gul onthaalde,

Wierd aller hart door wijn en min verhit,

En allen voelden nooitgevoelde stuipen,

Met de eerste dronkenschap en wulpse drift.

Het onervaren viertal dronken goden

Zong, kuste, woelde, en tuimelde op de grond;

En beurtelings de dronken god des afgronds,

En beurtelings de dronken god des wijns,

En beurtelings de dronken god der liefde,

Omhelsden dronken Nox, vol dartle gloed.

Toen wierden Slaap en Dood uit haar geboren.


Proeve van slaapdichten

Ik sleet eertijds mijn leven,

Mijn jeugd en beste dagen,

Te dwaas bij ’t letterpeinzen.

Ik oefende me in talen;

Studeerde en oude en nieuwe

En veel onnuttige zaken;

Begraven tussen de boeken:

En spotte vele nachten,

Veel slapeloze nachten,

Met Hypnus milde gunsten.

Maar zeer gelukkig werd ik

Genezen van mijn dwaling;

Dankzij des gods vermogen!

’t Gebeurde eens in het holst

Van een van de langste nachten,

Toen ik in Zelandus,

Mijn lieveling, zat te lezen,

Dat Hypnus, die ik tartte,

Met onweerstaanbare krachten

Van mijne doffe zinnen

Zich plotseling meester maakte.

Door zoete droom betoverd,

Zag ik de ongeziene

En jonge god. Hij stortte

Zijn rijke vulhoorn over

Mijn schedel uit, en zalfde

Mij tot zijn heilige priester;

En schonk mij ’t Lesbisch speeltuig.

Vanaf toen leerde ik slapen.

Vanaf toen werd ik dichter.