Test
Download document

DUCAL, Charles


Begin

Hoe werd ik begonnen die nacht?
In welke schuwe, onzegbare woorden?
Of sliep zij, schoof in haar slaap
zijn hand op de tast? Het was zomer,

met open ramen. Zij hoorden het erf,
het gerucht van de hond, het donker
gestamp van onrustige paarden.
Lagen zij naakt, het dek weggeschopt,
speelde hij tot zij duizelig werd
en heel zacht? Of lagen zij in hun schaamte
te zweten, enkel ontbloot van geslacht
tot geslacht? Kwam ik uit liefde?

Of door een godsdienst bedacht?


Barmhartig

Haar hoofd hing over de wasbak,
haar lijf stulpte weerloos de billen.
Het moment leek bestemd voor de slag,
een sobere nekslag, zonder gestribbel.

Even streek hij met plagende vinger.
De huid trok strak als een vlies op de melk.
Zijn lust verhardde. Hij trachtte te willen.
Zij kirde verleidelijk: is dit het moment?

Toen zag hij zichzelf in de spiegel,
de magere benen, het veel te ruime hemd.
In zijn oog kwam de kracht van de liefde.
Hij kneep in haar billen, barmhartig gestemd.


Erfenis

Ik ben van je lichaam, ik ben je zo kwijt.
Ik weet niet of wij elkaar ooit omarmden.
Je sloeg, je was het bevel van een ander.
Ik heb van jouw handen geen enkel bewijs.

Soms ruik ik je schort , maar zonder geheim,
De strengheid van zeep en opgelegd voedsel.
Wij waren met zeven, wij deelden de moeder
opdat geen van ons ooit de liefste zou zijn.

Ik ben van je lichaam, ik ben het vergeten.
Ik oefen mijn mond in ‘lieveling’ en ‘schat’.
Naast mij ligt een vrouw, even boos, even teder,
even ver van mij af.


Misverstand

Mijn vrouw is getrouwd met een dichter,

al had zij de zaak heel anders gepland.

Zij dacht aan een vader, een minnaar, een man.

Hij schrijft. Verder zijn er geen plichten.

En zelden is meer dan zijn lijf in bed,

mager en bleek in zijn eenzaam verlangen.

Soms staat hij op om een woord te vervangen,

verandert 'geliefde' bv. in 'slet';

en likt zich de lippen, zelfvoldaan.

In gemeenschap wordt niets ondernomen.

Wel mompelt de vrouw af en toe in haar dromen,

ontregelde praat, door geen mens te verstaan.


Poëtica

Er is geen poëzie in een te helder leven.

Op het behang is altijd een plek

die wacht op het vocht. Een vuile bek

zoekt in de laden naar onzegbaarheden.

Alles wat toonbaar is moet overschreven,

ieder gedicht gewassen in inkt

die blind van de moerassen zingt,

waarvan men ziende niets kan weten.


Er is geen poëzie in een te helder leven,

in zuivere spiegels is geen gat

waardoor men in de afgrond stapt

en in het woord valt, woest en ledig.