Test
Download document

VOS, Jan


Medea
…..
Kom doffe Droevigheid, die nooit om blijdschap lachte;

Maar kom verzelschapt van d 'e rbarmelijke Klachte;

Kom deerlijk Geween, en jammerlijk Gezucht;

Kom mijmerende Rouw, en kwijnend Ongenucht;

Kom troosteloos Misbaar, en Wanhoop, boos van zinnen.
…..
Heb ik de stieren met gespleten koopren klauwen,

Met ijzren hoornen en gloeiend ingewand,

In 't juk gespannen, en het veld langs Facis strand,

Al druipende van zweet, in wederwil, doen ploegen?

Ik zal hem lichter, om mijn wraaklust te vernoegen,

Voor mij doen zwichten dan die dieren groot van kracht,

Alwaar hij roem op draagt heeft hij door mij volbracht.

Heeft hij het land bezaaid met scherpe drakentanden,

Daar krijgsliên, heet op moord, met sabels in hun handen

En heel in 't harnas uitwissen tot zijn leed?

Ik heb die mensenoogst, die broeders bars en wreed,

Elkaar doen doden, eer zij hem verwoed besprongen.

Wie sloot de draak zijn bek, die drie gesplitste tongen

En zoveel regelen van tand' en kiezen had,

Noch dik van groene gal en heet vergift beklad,

Daar 't bloedig mensenvlees bij spieren in bleef hangen,

Was 't Jazons sabel? Neen: ik kwam dit schrikdier prangen.
…..
Ik zal het slagzwaard van de wederwraak aanbinden,

En vaardig vliegen, met de vleugels van de winden,

Tot binnen in de maan, om in de wereldkloot,

Die zich tot nog toe in haar waterige schoot,

Voor onz' gezicht verschuilt, Medea t'achterhalen,

En zo die wereldkloot, vol bossen, bergen, dalen,

Hoofdsteden, stroom en zeeën, zich tegens mij aan kant,

Zal ik haar, door het vuur dat mij van gramschap brandt,

Ontsteken, om Medé tot as te doen verteren.

Voort starke winden, voort, en neemt mij op uw veren.
…..
Maar wacht niet dat ik u zal dompelen in t graf.

Het graf is ‘t rustbed van al die ellendig leven.

Wie lang wil wreken moet geen korte moordsteek geven.

Dies zal mijn bittre haat, die staag om weerwraak brult,

De zwarte spoken, die met slangen zijn gehuld,

Met pijnboomtoortsen in haar scherpgeklauwde handen,

Ten grond uit zweren, om u nacht en dag t' aanranden.

Wie groot van macht is, lijdt zich met geen kleene wraak.
…..
Gij vindt geen zekerheid al gingt gij u verschuilen

Op hemelhoog gebergt, in diep gezonken kuilen,

Langs golven zonder strand en bossen dicht van blaân.

De gramschap van de wraak is door geen vlucht t'ontgaan

Ik zal uw ziel, als gij het lichaam heeft begeven,

Met mijn ontstoken toorts tot in de hel naarstreven,

En dagen u daar voor de vierschaar van dat Rijk.
…..
Hier komt de helhond, die zijn koppen vol venijnen

Afgrijselijk verheft, tot noodweer van de poort:

Zijn ogen zijn vol van vuur, zijn klauwen graag naar moord:

De haren grimmelen vol slangen, scherp van tanden:

Hij braakt, nu gij hier komt, zijn gloeiend' ingewanden

Door zijn drie kelen , om dat gij terug zult gaan.
….
Hier ziet gij 't bloedig hoofd van 't hoofd der vijandinnen:

Dat hatelijke hoofd; dat hoofd gelijk een grijns:

Het haar is als een tros van slangen vol venijns;

Dit hoofd is afgedrukt op 't bakkes van Meduze
…..
Ik zal uw aangezicht met slijm en gal bedekken,

En krabben uwe kaak met scherpe nagels op;

Ja boren d'ogen met mijn vingers uit uw kop:

Het lust mij met uw tong op 't allerfelst te strijden:

O bits' en bittre tong! 'k zal u ten keel uitsnijden,

En prikklen met een priem, en zo ' t u geest gevoelt,

Zo wordt mijn hete wraak tot in het hart verkoeld.
…..
(bewerking: Z. DE MEESTER)