Test
Download document

GEZELLE, Guido


‘k Hore tuitend' hoornen

‘k Hore tuitend' hoornen en

de navond is nabij

voor mij:

kinderen; blij en blonde, komt,

de navond is nabij,

komt bij:

zegene u de Alderhoogste, want

de navond is nabij,

komt bij:

‘k hore tuitend' hoornen en

de navond is nabij,

voor mij!


Gij badt op enen berg

Gij badt op enen berg alleen,

en… Jesu, ik en vind er geen

waar ‘k hoog genoeg kan klimmen

om U alleen te vinden:

de wereld wilt mij achterna,

alwaar ik ga

of sta

of ooit mijn ogen sla;

en arm als ik en is er geen,

geen een,

die nood hebbe en niet klagen kan;

die pijne, en niet gewagen kan

hoe zeer het doet!

o Leert mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!


Ego Flos


Ik ben een blomme

en bloeie voor uwe ogen,

geweldig zonnelicht,

dat, eeuwig onontaard,

mij, nietig schepselke,

in 't leven wilt gedogen

en, na dit leven, mij

het eeuwig leven spaart.

Ik ben een blomme

en doe des morgens open,

des avonds toe mijn blad,

om beurtelings, nadien,

wanneer gij, zonne, zult,

heropgestaan, mij nopen,

te ontwaken nog eens of

mijn hoofd de slaap te biên.

Mijn leven is

uw licht: mijn doen, mijn derven,

mijn'hope, mijn geluk

mijn enigste en mijn al;

wat kan ik, zonder u,

als eeuwig, eeuwig sterven;

wat heb ik, zonder u,

dat ik beminnen zal?

'k Ben ver van u,

ofschoon gij, zoete bronne

van al dat leven is

of immer leven doet,

mij naast van al genaakt

en zendt, o lieve zonne,

tot in mij diepste diep

uw aldoorgaande gloed.

Haalt op, haalt af!...

ontbindt mijn aardse boeien:

ontwortelt mij, ontdelft

mij...! Henen laat mij,... laat

daar 't altijd zomer is

en zonnelicht mij spoeien

en daar gij, eeuwige, ééne,

alschone blomme, staat.

Laat alles zijn

voorbij, gedaan, verleden,

dat afscheid tussen ons

en diepe kloven spant;

laat morgen, avond, al

dat heenmoet, henentreden,

laat uw oneindig licht

mij zien, in 't Vaderland!

Dan zal ik voor...

o neen, niet voor uw ogen

maar naast u, nevens u,

maar in u bloeien zaan;

zo gij mij, schepselke,

in 't leven wilt gedogen;

zo in uw eeuwig licht

me gij laat binnengaan!



Moederke

‘t En is van u

hiernederwaard,

geschilderd of

geschreven,

mij, moederke,

geen beeltenis,

geen beeld van u

gebleven.

Geen tekening,

geen lichtdrukmaal,

geen beitelwerk

van stene,

‘t en zij dat beeld

in mij, dat gij

gelaten hebt,

allene.

o Moge ik, u

onweerdig, nooit

die beeltenis

bederven,

maar eerzaam laat

ze leven in

mij, eerzaam in

mij sterven.




Dien Avond en die Roze

‘k Heb menig menig uur bij u

gesleten en genoten,

en nooit en heeft een uur met u

me een enkle stond verdroten.

‘k Heb menig menig blom voor u

gelezen en geschonken,

en, lijk een bie, met u, met u,

er honing uit gedronken;

maar nooit een uur zo lief met u,

zo lang zij duren koste,

maar nooit een uur zo droef om u,

wanneer ik scheiden moste,

als de uur wanneer ik dicht bij u,

dien avond, neergezeten,

u spreken hoorde en sprak tot u

wat onze zielen weten.

Noch nooit een blom zo schoon, van u

gezocht, geplukt, gelezen,

als die dien avond blonk op u,

en mocht de mijne wezen!

Ofschoon, zo wel voor mij als u,

- wie zal dit kwaad genezen? -

een uur bij mij, een uur bij u

niet lang een uur mag wezen;

ofschoon voor mij, ofschoon voor u,

zo lief en uitgelezen,

die roze, al was ‘t een roos van u,

niet lang een roos mocht wezen,

toch lang bewaart, dit zeg ik u,

‘t en ware ik ‘t al verloze,

mijn hert drie dierbre beelden: u

dien avond - en - die roze!





O! 't ruisen van het ranke riet!

παραροδανον δοναχηα

Hom . Il . XVIII , 576

O ! 't ruisen van het ranke riet!

o wist ik toch uw droevig lied!

wanneer de wind voorbij u voert

en buigend uwe halmen roert,

gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,

staat op en buigt ootmoedig weer,

en zingt al buigend 't droevig lied,

dat ik bemin, o ranke riet!

O! 't ruisen van het ranke riet!

hoe dikwijls zat ik niet

nabij de stille waterboord,

alleen en van geen mens gestoord,

en lonkte 't rimpelend water na,

en sloeg uw zwakke stafjes ga,

en luisterde op het lieve lied,

dat gij mij zongt, o ruisend riet!

O! 't ruisen van het ranke riet!

hoe menig mens aanschouwt u niet

en hoort uw' zingend' harmonij,

doch luistert niet en gaat voorbij!

voorbij alwaar hem 't herte jaagt,

voorbij waar klinkend goud hem plaagt;

maar uw geluid verstaat hij niet,

o mijn beminde ruisend riet!

Nochtans, o ruisend ranke riet,

uw stem is zo verachtelijk niet!

God schiep de stroom, God schiep uw stam,

God zeide: "Waait!..." en 't windje kwam,

en 't windje woei, en wabberde om

uw stam, die op en neder klom!

God luisterde... en uw droevig lied

behaagde God, o ruisend riet!

O neen toch, ranke ruisend riet,

mijn ziel misacht uw tale niet;

mijn ziel, die van de zelve God

't gevoel ontving, op zijn gebod,

't gevoel, dat uw geruis verstaat,

wanneer gij op en neder gaat:

o neen, o neen toch, ranke riet,

mijn ziel misacht uw tale niet!

O! 't ruisen van het ranke riet

weergalme in mijn droevig lied,

en klagend kome 't voor uw voet,

Gij, die ons beiden leven doet!

o Gij, die zelf de kranke taal

bemint van een rieten staal *,

verwerp toch ook mijn klachte niet:

ik! arme, kranke, klagend riet!

* staal= stengel


Oh! The rustling of the slender reed!

The rushes swayed beside a murmuring stream, Homer, Iliad XVIII, 576

Oh! the rustling of the slender reed!

I would I knew thy mournful song!

Whenever the wind doth pass thee by

And gently breathe upon thy stem,

Thou bendest, humbly bowing down,

Then risest up to humbly bow again

And sing, whilst bending, that sad song

That I so love, O slender reed!

Oh! The rustling of the slender reed!

How many a time have I sat down

Beside the silent water’s edge

Alone and undisturbed by man,

And gazed at the rippling waves.

And touched thy tender stem

Whilst listening to that dear song

Thou used to sing, O rustling reed!

Oh! The rustling of the slender reed!

How many a man perceives thee not,

Nor listens to thy harmonious sounds.

He listens not and passes on

To where his heart enticeth him,

To where the sound of chinking gold allures;

But thy sweet sound he understandeth not,

Oh my beloved rustling reed!

And yet, thou slender rustling reed,

Thy voice is not to be despised!

God made the stream, God made thy stem,

God said, “Oh, come thou little breeze” –

And the breeze came and fluttered round

They stem, making it rise, then bend.

God listened, and they mournful song

Was pleasing to Him, rustling reed!

Ah no, thou slender rustling reed,

My soul despiseth not thy song:

My soul that from God Himself

At His command received the gift

To understand thy rustling song

Whenever thou dost rise or bend:

Oh no, oh no, thou slender reed,

My soul despiseth not thy song!

Oh! The rustling of the slender reed,

Let it resound in my sad song,

And lamenting come before Thy Throne,

O Thou Who gavest life to both!

Thou, Who lovest the mournful song

Of a tapering reed, reject Thou not

My sad complaint, for I, too, am

A poor, lamenting, sickly reed!




Traagzaam trekt de witte wagen

Traagzaam trekt de witte wagen

door de stille strate toen,

en 't is wenen, en 't is klagen

dat ze bin' de wijte doen!

Stap voor stap, zo gaan de peerden,

traagzaam, treurig, stille en stom,

en zij kijken, of 't hun deerde,

dikwijls naar hun meester om;

naar hun' meester, die te morgen

zijn beminde peerdenpaar,

onder 't kammen en 't bezorgen,

zei de droeve nieuwemaar.

"Baai," zo sprak hij, "Baai en Blesse,

heden moeten... stille! fraai!

moeten wij naar de uitvaartmesse,

met de wagen, Blesse en Baai!"

En toen, na zijn hand te doppen

in 't gewijde water klaar,

zegent hij de hoge koppen

van 't onachtzaam peerdenpaar.

En hij kust en kruist ze beiden,

en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai,

moet een lijk naar 't kerkhof leiden

Baai en Blesse, stille! fraai!

Schuimen zoudt ge en lastig zweten,

zo 'k u zonder wete liet

van de mare, en zoudt verheten,

gave ik u de zegen niet!"

En hij zelve kruist en wijdt hem

eer hij ze in de breidel vangt,

met het water, dat bezijd hem

aan de ruwe bedspond hangt.

Want hij slaapt bij zijne beminde

peerden en bezorgt ze trouw,

trouwer als voor eigen kinde

eigen moeder zorgen zou.

Hij besproeit, en met gewijde

palm speerst hij peerd en stal,

om de lijkvaart te bevrijden

van gevaar en ongeval.

Ha! wie weet hoeveel gevaren

die niet hebben uit te staan,

die met peerden, - God bewaar' hen! -

die met hun meesters gaan?

Traagzaam rijdt en rolt de wagen,

treurig door de strate voort,

en 't is krijsen en 't is klagen,

dat men onder 't dekzeil hoort.

Stap voor stap zo gaan de peerden,

ziende naar hun' meester om;

stap voor stap, alsof 't hun deerde,

traagzaam, treurig, stille... en stom!




Als de ziele luistert

Als de ziele luistert

spreekt het al een taal dat leeft,

't lijzigste gefluister

ook een taal en teken heeft:

blaren van de bomen

kouten met malkaar gezwind,

baren in de stromen

klappen luide en welgezind,

wind en wee en wolken,

wegelen van Gods heilige voet,

talen en vertolken

't diep gedoken Woord zo zoet...

als de ziele luistert!




Ik misse u

AAN EEN AFWEZENDE VRIEND

Ik misse u waar ik henenvaar

of waar ik henenkeer:

de morgenstond, de dagen rond

en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween

‘t zij droevig het zij blij,

ik misse u, o ik misse u zo,

ik misse u neffens mij!

Zo mist, voorwaar, zijn wederpaar

geen veugelke in ‘t net;

zo mist geen kind, hoe teer bemind,

zijn' moeder noch zij het !

Nu zingt men wel en ‘t orgelspel

en misse ik niet, o neen,

maar uwe zang mist de orgelklank

en misse ik al met een.

Ik misse u als er leugen vals

wil monkelen zo gij loecht ,

wanneer gij zacht mij verzen bracht

of verzen mededroegt.

Ik misse u nog... waar hoeft u toch,

waar hoeft u niet gezeid...

Ach! ‘k heb zo dikwijls heimelijk

God binnen u geleid!

Daar misse ik u, daar misse ik u

zo dikwijls, en, ik ween:

geen hope meer op wederkeer,

geen hope meer, o neen!

Geen hope, neen, geen hoop, hoe kleen,

die ‘t leven overschiet' ;

maar in de schoot der goede dood

en misse ik u toch niet?



Hoe zere vallen ze af

Hoe zere vallen ze af,

de zieke zomerblaren;

hoe zinken ze, altemaal,

die eer zo groene waren,

te grondewaard!

Hoe deerlijk zijt gij ook

nu, bomen al, bedegen;

hoe schamel, die weleer

des aardrijks, allerwegen,

de schoonste waart!

Daar valt er nog een blad;

het wentelt, onder 't vallen,

de allerlaatste keer,

en 't gaat de duizendtallen

vervoegen thans:

zo zullen ze, een voor een,

daarin de winden bliezen

vol luider blijdzaamheid,

nu tong en taal verliezen,

en zwijgen gans.

Hoe zere vallen ze af,

onhoorbaar in de lochten,

en schier onzichtbaar, in

de natte nevelvochten

der droeve maand,

die, 't ijzervaste speur,

ontembaar ingetreden,

die al de onvruchtbaarheid,

die al de onvriendlijkheden

des Winters baant!

Daar valt er nog een blad,

daar nog een, uit de bogen

der hoge bomenhalle,

en 't dwerst de onbewogen

oktobermist:

't en roert geen wind, geen een,

maar 't leken, 't leken tranen,

die men gevallen zou

uit wenende ogen wanen:

één kerkhof is 't!

Gij, blaren, rust in vree,

't en zal geen een verloren,

geen een te kwiste gaan

voor altijd: hergeboren,

die dood nu zijt,

zal elk van u, dat viel,

de zonne weer ontwekken,

zal met uw groene dracht

de groene bomen dekken,

te zomertijd.

o Zomer!... Ik zal eens

ook Adams zonde boeten,

gevallen en verdord

in 's winters grafstee, moeten;

maar, 's levens geest,

die gij gesteken hebt

in mijn gestorven longen,

die zult gij mij voor goed

niet laten afgedwongen,

die 't graf ontreest!



'k En hore u nog niet,

'k En hore u nog niet,

o nachtegale, en

de paaszunne zit

in 't oosten;

waar blijft gij zo lange,

of hebt gij misschien

vergeten van ons

te troosten?

't En zomert, 't is waar,

't en loovert, 't en lijdt

geen bladtje nog uit

de hagen;

't zit ijs in de wind,

't zit sneeuw in de lucht,

't is stormen, dat 't doet,

en vlagen.

Toch spreeuwt het en vinkt

het luide, overal;

de merelaan lacht

en tatelt;

het must en het meest,

het koekoet, in 't hout;

het zwaluwt en 't zwiert

en 't swatelt.

Waar blijft hij zo lang;

de nachtegale; en

vergeet hij van ons

te troosten?

't En zomert nog niet,

maar zomeren zal 't:

de Paaszunne zit

in 't oosten.



't Er viel ne keer

(Herinnering aan Beethoven's Septuor)

‘t Er viel ‘ne keer een bladtje op het water
‘t Er lag ‘ne keer een bladtje op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtje op
het water
En wentelen winkelwentelen
in ‘t water
Want ‘t bladtje was geworden lijk
het water
Zo plooibaar en zo vloeibaar als
het water
Zo lijzig en zo leutig als
het water
Zo rap was ‘t en gezwindig als
het water
Zo rompelend en zo rimpelend
als water
Zo lag ‘t gevallen bladtje op
het water
En m' ha' gezeid het bladtje ende
‘et water
‘t En was niet ‘t een een bladtje en ‘t an-
der water
Maar water was het bladtje en ‘t blad-
tje water
En ‘t viel ne keer een bladtje op
het water
Als ‘t water liep het bladtje liep.
Als ‘t water
Bleef staan, het bladtje stond daar op
het water
En rees het water ‘t bladtje rees
en ‘t water
En daalde niet of ‘t bladtje daalde
en ‘t water
En dei niet of het bladtje dei't
in ‘t water
Zo viel der eens een bladtje op
het water
En blauw was ‘t aan den Hemel end'
in ‘t water
En blauw en blank en groene blonk
het water
En ‘t bladtje loech en lachen dei
het water
Maar ‘t bladtje en wa' geen bladtje neen
en ‘t water
En was nie' meer als ‘t bladtje ook
geen water
Mijn ziele was dat bladtje: en
dat water?-
Het klinken van twee harpen wa'
dat water
En blinkend in de blauwte en in
dat water
Zo lag ik in den Hemel van
dat water
De blauwen blijde Hemel van
dat water!
En ‘t viel ne keer een bladtje op
het water
En ‘t lag ne keer een bladtje op
het water.



Hete pootjes

Een schalkaard had een bie gevaân
en hield ze bij heur vleren :
"Komt hier! - hij zag een jongske staan! -
komt hier mijn knappe kerel!
Hier heb ik zulk een schoon fatsoen
van beestje, ik wil ‘t u geven:
past op maar van ‘t niet dood te doen,
en laat het beestje leven.
Kom aan; jen hand; doet toe, ‘t vliegt weg;
doet toe want ‘t gaat ontsnappen!"
‘t Kind hield zijn handje toe: "Nie' waar,
hoe schoon dat is, hoe lieflijk!"
Ha! ‘t kindje wierd te laat gewaar
hoe schoon en hoe bedrieglijk.
Het liet het beestje los, en ‘t loeg
de traantjes uit zijn oogskes,
en zei ‘t: "Het beestje is schoon genoeg,
maar ‘t heeft zulke hete pootjes.



Groeninghe
…..
Harop! Harop! De trompe steekt;

de boeien los, de banden breekt!

Ten vijande in! Dat, op z'n schansen,

de leeuwen dansen!

Sta vuist en voet de vane omtrent!

En, gij, die God noch ere en kent,

ruimt bane, eer, op uw' vege bansen,

de leeuwen dansen!
…..


Gierzwaluwen

"Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
     zie!!!"
tieren de,
zwaluwen,
twee- driemaal
     drie,
zwierende en
gierende:
"Niemand, die...
     die
bieden den
stiet ons zal!
Wie, wie? wie??
      wie???"

Piepende en
kriepende,
zwak en ge-
      zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
      wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
     vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
     kerk.

Lege nu
zweven ze, en
geven ze
     bucht;
hoge nu
hemelt hun'
vlerke, in de
      lucht:
amper nog
hore ik... en,
die 'k niet en
      zie,
lijvelijk
zingen ze:
"Wie??? wie?? wie?
     wie..."




Het schrijverke
Gyrinus natans

O krinklende winklende waterding,
Met 't zwarte kabotseke ] aan,
Wat zie ik toch geren uw kopke flink
Al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
Al zie 'k u noch arrem noch been;
Gij wendt en gij weet uwe weg zoo wel,
Al zie 'k u geen oge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
Dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over 't spiegelend water klaar,
En 't water niet méér en verroert
Dan of het een gladdige windje waar,
Dat stille over 't waterke voert.
O schrijverkes, schrijverkes zegt mij dan, -
Met twintigen zijt gij en meer,
En is er geen een die 't mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
Gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
Geen Christen en weet er wat dat bediedt:
Och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladjes of blomkes zoet,
Of 't water, waarop dat ge drijft?
Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
Of is 'et het blauwe gewelf,
Dat onder en boven u blinkt, zo diep,
Of is het u, schrijverke, zelf?
En 't krinklende winklende waterding,
Met 't zwarte kapoteken aan,
Het stelde en het rechtte zijn oorkes flink,
En 't bleef daar een stondeke staan:
‘Wij schrijven.’ zo sprak het, ‘al krinklen af
Het gene onze Meester, weleer,
Ons makend en lerend, te schrijven gaf,
Eén lesse, niet min nochte meer;
Wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
Niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
De heilige Naam van God!’


Oorloge

‘t Is oorloge, oorloge is ‘t,

daar mensen zijn, en dieren;

‘t gevecht zit al dat leeft,

geboortevast, in ‘t been:

beweertuigd is het ros,

bewapend staan de stieren

afgrijslijk; hond en kat

strijdzuchtig zijn. Het kleen

zoet honingbietje weet

zijn gif te laten leken

in ‘s vijands wonden; ‘t weet

zijn moordend mes hem, en

zijn' bitterheid, in ‘t lijf

zo nijdig neêr te steken,

dat ook het zoete zeem

onzoet hem smaken zal!

De duive, zonder haat,

het lam, dat liete ‘em binden;

‘t onboze keverken,

het nietje zonder straal;

wie, zonder krijgsgeweld,

wie zal ‘t, o Heere, vinden,

dat onkamplustig is,

dat vrij van de oude kwaal?

‘t Is oorloge, oorloge is ‘t,

daar mensen zijn; de dieren

verscheuren ondereen

malkanderen; de dood

tot in de wolken zit

en spiedt mij!... Goedertieren

Verlosser, vrede zijn,

waar zal ‘t? - In uwen schoot!