Test
Download document

POIRTERS, Adriaan

O Godt de wercken van u hant

O Godt de wercken van u hant

Gaen verre boven myn verstant:

Hoe dat den Hemel eeuwich draeyt,

Hoe die met sterren is besaeyt,

Hoe dat de Son in corter yl

Door-ryst soo menich duysent myl;

Hoe dat de zee soo gaet en keert,

Of sy op voeten waer geleert,

Hoe dat gy rypt door Sonne-Schyn

Den geelen terw, den roeden wyn;

Hoe dat den somer brant en blaeckt,

Hoe dat den winter vlocken maeckt:

Hoe dat gy ys schit op een stroom,

En dwinght den vloet met desen toom.

Maar wonder boven wonderheyt

Is Godt die in een Kribbe leyt

En Koninck desen grooten AL

Dat die rust in soo kleenen stal.