Test
Download document

LOVELING, Virginie


De oude zeeman

W anneer ik op de duinen stond,

Vóór vele - vele jaren,

En ginds in zee een zeiltje zag,

De haven uitgevaren;

Dan kwam de lust naar verre reis

Mijn jeugdig hert bedriegen,

En 'k wenste wel de meeuw te zijn

Om heen te mogen vliegen.
…..

Maar als op 't dek ik eenzaam stond,

In verre zee gedreven,

En door de avondmist allengs

De oever weg zag zweven,

Een vreemde treurnis kwam mij op,

Mijn oog zocht in de verte,

En 'k was verwonderd van de zucht,

Die opsteeg uit mijn herte.


Ik heb gereisd, ik heb gerust,

Gezocht en niet gevonden

't Geluk, in eigen, stille streek,

Noch ginds op vreemde gronden.

Maar in de rust en in 't gewoel,

Toch is de tijd verlopen,

En heeft tot weemoed zacht gewiegd

Mijn wensen en mijn hopen.

En 's avonds, als de regen plast

En holle winden tieren

En dat het schip mij morgen wacht,

Om weer in zee te stieren,

Dan vat mijn hert een droef gevoel,

Ik kan het niet verdrijven,

Maar 'k wenste wel een kind te zijn,

Om t' huis te mogen blijven!


Een zomerse zondag

Zij ziet naar ’t uurwerk op de schouwplaat:

De wijzer gaat zoo traagzaam voort.

Zij zet aan het klavier zich neder

En slaat, misnoegd, een vals akkoord.

De wijk is doods en afgezonderd.

Zij dacht, of niemand komen zou;

Zij wenste, dat het avond ware,
Of dat men eenmaal schellen woû.

Vóór haar de stille burenhuizen,

De muren hoog, de deuren dicht,

En ’t album, tienmaal reeds doorbladerd,

Dat op de tafel openligt.

O lange zondag, o verveling,

O dag, die traagzaam henengaat,

Als moest hij duren zonder einde,

En die toch geen herinring laat!