Test
Download document

TEN BERGE, H.C.


Tijd is

Je wilt het heden betrappen
terwijl het al niet meer bestaat.
Tijd is een passage, een gesloten
loket waar je steevast te laat -

Tijd is de vereffenaar.
Tijd heelt niets, want slaat weer
nieuwe wonden. Wat tot bloei komt
wordt door hem ontbonden.
Tijd is diep geaard, hij ruikt naar de seizoenen.
Een geur dunt uit, een maand verglijdt.
Hij nestelt zich in mest en fruit, een rozelaar, kastanjebladeren.
Tijd huist in een voorbije zomer, zeelucht en herinnerd meisjeshaar.
Hij schuilt in babyzalf, gedane liefde, een vervallen huid.

Tijd is een slak in tomeloze vaart. Voor kinderen
traag verlopend wordt zijn gang door niets gestuit
totdat je aan de zoom van bitterzoete wateren ligt opgebaard.


OCHTEND / HET GEBEUREN

Bijna winter. Spreeuw

bespiedt de lijsterbes

en steekt zich in de veren.

Berijpte snavels, dode vogels in de tuin.

Vroege vorst witselt

het veilig hout. Een koude hand

tast langs mijn huid.

As

bedekt het pad. Met zacht getik

verkilt de Norton

en wordt wit.